Deze civiele zaak betreft een hoger beroep over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen. De vrouw stelde het hoger beroep in tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 september 2022.
Het hof stelde vast dat het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift was voldaan. Ondanks een verzoek om uitstel vanwege een nog lopende aanvraag voor bijzondere bijstand, werd dit verzoek afgewezen. De vrouw en haar advocaat verschenen niet bij de mondelinge behandeling, waarin de ontvankelijkheid van het hoger beroep werd besproken.
Omdat geen omstandigheden waren aangevoerd die een uitzondering op de niet-ontvankelijkverklaring konden rechtvaardigen, verklaarde het hof de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. De beschikking van de rechtbank blijft daarmee in stand.