Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C02/326522 / KG ZA 24-13)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven, producties 19 tot en met 21, en wijziging van eis;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 1 tot en met 4;
- de op 12 maart 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarbij [appellante] in het incidenteel hoger beroep heeft geantwoord;
- de bij H12-formulier van 5 maart 2024 door [appellante] toegezonden producties 18 en 22, die [appellante] bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
- a. In de gemeente Roermond is bij besluit van de gemeenteraad van 11 november 1997 het aantal coffeeshops gemaximeerd op twee.
- b. De exploitatievergunningen voor de huidige twee locaties waar coffeeshops zijn gevestigd, zijn met ingang van 10 oktober 2019 voor de duur van vijf jaar verleend en verlopen dus op 9 oktober 2024. Bij de verlening van deze vergunningen voor vijf jaar heeft een rol gespeeld dat de gemeente de huidige locaties niet geschikt acht en in de periode van vijf jaar wil komen tot het vergunnen van twee coffeeshops op beter geschikte locaties in de gemeente.
- c. Met het oog op de uitgifte van nieuwe exploitatievergunningen heeft de burgemeester op 10 juli 2020 de “Beleidsregel houdende bepalingen inzake de verdeling van exploitatievergunningen coffeeshops gemeente Roermond 2020” (hierna: de Beleidsregel van de burgemeester) vastgesteld, teneinde de beschikbare twee exploitatievergunningen op een eerlijke wijze te verdelen onder geschikt bevonden ondernemers. In de Beleidsregel van de burgemeester staat onder meer het volgende:
- e. [appellante] exploiteert in [vestigingsplaats] een coffeeshop, genaamd [Coffeeshop X] .
- f. [appellante] wil in aanmerking komen voor één van de twee te verdelen exploitatievergunningen voor een coffeeshop in de gemeente Roermond. Daarom heeft zij bij koopovereenkomst van 23 februari 2021 op de locatie [adres 1A] , [adres 1B] en [adres 1C] te Roermond een pand gekocht, gelegen op een bedrijventerrein. Dit pand is op 11 maart 2021 aan [appellante] geleverd.
- g. Omdat het vestigen van een coffeeshop op die plek vanwege het ontbreken van een passende horecabestemming strijdig is met het geldende omgevingsplan, heeft [appellante] op 23 februari 2021 een principeverzoek tot wijziging van de bestemming van die locatie van bedrijventerrein naar horecabestemming ingediend bij het college van B&W.
- h. Tevens heeft [appellante] op 23 februari 2021 een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend bij de burgemeester, waarbij zij conform artikel 4 lid 1 sub Pro 1 van de Beleidsregel van de burgemeester het door haar ingediende principeverzoek heeft gevoegd.
- i. De gemeente heeft de ontvangst van het principeverzoek en de aanvraag bevestigd.
- j. De exploitanten van de huidige twee coffeeshops in de gemeente hebben bij de bestuursrechter geprocedeerd tegen het besluit van de burgemeester om de aan hen verleende exploitatievergunningen slechts voor vijf jaar en niet voor onbepaalde tijd te verlenen. In die procedure heeft de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, bij uitspraak van 30 maart 2021 onder meer geoordeeld dat de exploitatievergunningen niet voor bepaalde tijd hadden mogen worden verleend maar voor onbepaalde tijd hadden moeten worden verleend.
- k. De burgemeester heeft tegen de uitspraak van 30 maart 2021 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS). In afwachting van de uitspraak van de ABRS heeft het college van B&W de beslissing op bij haar ingediende principeverzoeken tijdelijk aangehouden. De burgemeester heeft om dezelfde reden de beslissing op verzoeken tot het verlenen van een exploitatievergunning aangehouden.
- l. Bij uitspraak van 13 september 2023 heeft de ABRS onder meer geoordeeld – kort gezegd – dat de burgemeester de exploitatievergunningen voor bepaalde tijd mocht verlenen. De ABRS heeft hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 30 maart 2021 ten dele vernietigd.
- m. Vervolgens heeft het college van B&W de behandeling van bij haar ingediende principeverzoeken hervat en heeft de burgemeester de behandeling van de verzoeken om exploitatievergunningen hervat.
- n. Bij beslissing van 5 december 2023, verzonden 11 december 2023, heeft het college van B&W afwijzend beslist op het verzoek van [appellante] om een principebesluit. In de beslissing tot afwijzing van het principeverzoek staat onder meer het volgende:
- r. [appellante] heeft bij bezwaarschrift van 18 januari 2024 bij de burgemeester en bij het college van B&W bezwaar gemaakt tegen de negatieve beslissing van het college van B&W van 5 december 2023 op het verzoek om een principebesluit en tegen het besluit van de burgemeester van 11 december 2023 tot weigering van de exploitatievergunning. De hoorzitting in deze bezwaarprocedure staat gepland voor 2 april 2024.
- s. [appellante] heeft voorts bij schrijven van 18 januari 2024 bij de voorzieningenrechter van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, het verzoek ingediend om het besluit tot weigering van de exploitatievergunning en het negatieve beslissing op het verzoek om een principebesluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Bij mondelinge uitspraak van 30 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter van de afdeling bestuursrecht onder meer het volgende overwogen:
- t. Op 22 januari 2024 (de dag voor de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding bij de voorzieningenrechter) heeft [appellante] haar principeverzoek aangevuld met een aanvullende rapportage van haar verkeersdeskundige op de punten van vermenging vrachtverkeer en recreatief verkeer en het voldoen aan de parkeervraag, en aan het college van B&W verzocht om haar reactie op de negatieve principebeslissing met spoed te behandelen.
- u. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding bij de voorzieningenrechter heeft de gemeente meegedeeld dat het college van B&W om meerdere door de gemeente genoemde redenen niet voornemens is om planologische medewerking te verlenen aan vestiging van een coffeeshop op de door [appellante] gewenste locatie.
- I. veroordeling van de gemeente, althans de burgemeester, om per direct op te schorten, c.q. te staken en gestaakt te houden de thans lopende verdelingsprocedure van exploitatievergunningen coffeeshops 2020, totdat [appellante] door de gemeente (het college van B&W) in de gelegenheid zal zijn gesteld haar principeaanvraag aan te vullen c.q. een nieuwe in te dienen, en daarop een nieuwe beslissing zal zijn genomen en deze nieuwe beslissing is meegenomen in de bestuursrechtelijke procedure met betrekking tot de weigering exploitatievergunning, en daarop onherroepelijk zal zijn beslist;
- II. veroordeling van de gemeente tot betaling van een dwangsom van € 5.000,-- per dag(deel) dat de gemeente zich niet aan de onder I genoemde veroordeling houdt, met bepaling dat boven een bedrag van € 650.000,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;
- III. dan wel een andere beslissing of voorlopige maatregel die de voorzieningenrechter geraden acht;
- [appellante] heeft bij de indiening van haar principeverzoek voldaan aan alle formele indieningsvereisten.
- Het college van B&W heeft het principeverzoek ten onrechte afgewezen op grond van een aspect dat nergens in de beleidsregels werd genoemd (menging van recreatief verkeer en zwaar vrachtverkeer). Het college van B&W had [appellante] eerst in de gelegenheid moeten stellen daarover een toelichting te geven. Uit de inmiddels door [appellante] gegeven toelichting blijkt dat het verkeer dat op de coffeeshop af zal komen, slechts marginaal zal mengen met eventueel vrachtverkeer.
- Ook is als afwijzingsgrond ten onrechte de onjuiste aanname gehanteerd dat bij het door [appellante] gekochte pand onvoldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Uit een inmiddels in opdracht van [appellante] vervaardigde nadere verkeersanalyse blijkt dat wel degelijk voldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.
- De gemeente heeft dus onrechtmatig gehandeld door het principeverzoek op vooraf niet kenbare en onjuiste gronden af te wijzen. [appellante] dreigt daardoor niet in aanmerking te komen voor een exploitatievergunning.
- Tegen de onterechte afwijzing van het principeverzoek staat geen rechtsgang bij de bestuursrechter open. [appellante] heeft er een spoedeisend belang bij dat de gemeente de nu lopende verdelingsprocedure stillegt, en [appellante] eerst in de gelegenheid geeft haar principeverzoek aan te vullen, waarna het college van B&W daar eerst opnieuw op moet beslissen.
- Het verweer van de gemeente dat [appellante] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen omdat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, moet worden verworpen (rov. 4.4).
- [appellante] heeft een spoedeisend belang bij beoordeling van haar vorderingen in kort geding (rov. 4.5).
- Er moet vooralsnog vanuit worden gegaan dat de wijze waarop de gemeente (het college van B&W dan wel de burgemeester) de loting- en verdelingsprocedure in haar beleidsregels heeft vormgegeven, rechtmatig is (rov. 4.6).
- De motivering van de gemeente voor de afwijzing van het principeverzoek van [appellante] is niet in strijd met het beleid van de gemeente of de toelichting daarop. Bovendien komt de gemeente een grote mate van beleidsvrijheid toe bij de beslissing op een aanvraag om af te mogen wijken van een omgevingsplan. De vordering van [appellante] moet daarom worden afgewezen (rov. 4.7, 4.8 en 4.9).
- II. veroordeling van de gemeente tot betaling van een dwangsom van € 5.000,-- per dag(deel) dat de gemeente zich niet aan de onder I genoemde veroordeling houdt, met bepaling dat boven een bedrag van € 650.000,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;
- III. dan wel een andere beslissing of voorlopige maatregel die de voorzieningenrechter geraden acht;
- vernietiging van het beroepen vonnis voor zover daarbij de vorderingen van [appellante] zijn afgewezen en, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar vorderingen;
- althans afwijzing van alle vorderingen van [appellante] ;
- de afwijzende beslissing op het principeverzoek geen appellabel besluit is en dat in dat kader geen voorlopige voorziening kan worden getroffen (rov. 4);
- dat de burgemeester de exploitatievergunning moet weigeren als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan (rov. 6.1);
- dat er voor de burgemeester geen verplichting bestaat om te wachten met de beslissing op de aanvraag van de exploitatievergunning totdat tegen de door het college van B&W genomen beslissing op het principeverzoek rechtsmiddelen (hof: kennelijk bij de burgerlijke rechter) zijn ingesteld.
- dat, indien op de beoogde locatie een passende horecabestemming ontbreekt, een afschrift van een bij het college van B&W ingediend principeverzoek moet worden overgelegd;
- dat een principebesluit waaruit blijkt dat het college van B&W bereid is planologische medewerking te verlenen, vervolgens een vereiste is om in aanmerking te kunnen komen voor een loting en een inhoudelijke toets van de aanvraag van een exploitatievergunning.
- de motivering van de gemeente voor de afwijzing van het principeverzoek van [appellante] niet in strijd is met het beleid van de gemeente of de toelichting daarop;
- aan de gemeente een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de beslissing op een aanvraag om af te mogen wijken van een omgevingsplan;
- de besluitvorming van de gemeente niet evident onjuist is en ook niet onrechtmatig is.
- Volgens de beleidsregels diende [appellante] bij de indiening van haar principeverzoek in te gaan op de etmaalcapaciteit van de ontsluitingswegen en op de mogelijkheid tot realisatie van parkeerplaatsen bij haar pand. [appellante] is op beide kwesties adequaat ingegaan.
- Het college van B&W heeft het principeverzoek ten onrechte afgewezen op grond van een aspect dat nergens in de beleidsregels werd genoemd (menging van recreatief verkeer en zwaar vrachtverkeer) en op grond van een onjuiste aanname dat bij het door [appellante] gekochte pand onvoldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Het college van B&W heeft hierdoor gehandeld in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het college van B&W heeft daardoor onrechtmatig gehandeld.
- Uit de inmiddels door [appellante] gegeven toelichting blijkt dat het verkeer dat op de coffeeshop af zal komen, slechts marginaal zal mengen met eventueel vrachtverkeer. Verder blijkt uit de in opdracht van [appellante] vervaardigde nadere verkeersanalyse dat wel degelijk voldoende parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.
- De nadere bezwaren die de gemeente in het geding bij de voorzieningenrechter heeft aangevoerd tegen de aanwezigheid van een coffeeshop in het door [appellante] gekochte pand zijn niet steekhoudend.
- Om deze redenen heeft [appellante] er een spoedeisend belang bij dat de gemeente de nu lopende verdelingsprocedure stillegt, en [appellante] eerst in de gelegenheid geeft haar principeverzoek aan te vullen, waarna het college van B&W daar eerst opnieuw op moet beslissen.
- Het college van B&W heeft het verzoek om een principebesluit niet getoetst aan vooraf niet kenbare aspecten. In artikel 2.2 van de beleidsregel van het college van B&W staat immers dat de vestiging van een coffeeshop mag niet leiden tot onevenredig (negatieve) gevolgen voor de bestaande verkeersstructuur, en de hiermee samenhangende verkeersveiligheid. Dit is ruimer dan de twee door [appellante] genoemde elementen.
- Bovendien is in artikel 2.5 van de beleidsregel vastgelegd dat er in de beoogde situatie, conform artikel 2.1 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in relatie tot de nieuwe coffeeshop sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dat volgt ook uit de toelichting op artikel 12 van Pro de beleidsregel van de burgemeester.
- De college van B&W heeft dus niet gehandeld in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
- In de laatste alinea van de principebeslissing is erop gewezen dat het principeverzoek, vanwege de daarin genoemde afwijzingsgronden, niet is getoetst aan andere relevante omgevingsaspecten. Indien al geoordeeld zou moeten worden dat de mate van menging van recreatief verkeer en zwaar vrachtverkeer en de parkeergelegenheid geen bezwaar vormen, zal het college van B&W om redenen van ruimtelijke ordening, zoals opgesomd in de reactie op grief 1 in principaal hoger beroep, toch geen medewerking verlenen aan het geven van een positief principebesluit en verlening van een omgevingsvergunning.
- Er is voor de civiele rechter om bovenstaande redenen geen grondslag om in te grijpen in de lopende verdelingsprocedure. Hierbij is van belang dat aan het college van B&W beleidsruimte toekomt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen.
- Het pand aan de [adres 1A] ligt op een bedrijventerrein, vlak bij de [woonwijk X] . Die woonwijk ligt als gevolg van haar positie ten opzichte van het spoor, de N280 en de Maas geïsoleerd van de rest van het stedelijk gebied van de gemeente. De woonbebouwing van [woonwijk X] vormt daardoor als het ware een dorp. Een coffeeshop past niet bij het karakter van deze wijk.
- De bewoners van de wijk moeten bovendien al de nodige invloed dulden van het tegen de wijk gelegen bedrijventerrein, waar zich zware industrie mag vestigen, waar een deel van de bedrijven 24 uur per dag in bedrijf is, en waar geluidsoverlast en stankoverlast wordt veroorzaakt.
- Griffierechten € 798,--
- Salaris advocaat € 2.428,-- (2 punten x tarief II)
- Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de