Deze zaak betreft een hoger beroep van een moeder tegen Stichting Jeugdbescherming Brabant over de omgangsregeling met haar pleegdochter, geboren in 2011. Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis voor zover het verzoek tot omgang met een andere minderjarige werd afgewezen, maar stelde de omgang met deze pleegdochter opnieuw vast.
De gecertificeerde instelling (GI) rapporteerde dat ondanks zeven jaar hulpverlening de moeder zich niet altijd aan afspraken houdt en dat de omgangsmomenten stress veroorzaken bij de minderjarige. De GI acht twee begeleide omgangsmomenten per jaar van één uur passend, met mogelijkheid tot uitbreiding afhankelijk van de behoeften van het kind.
De moeder betwistte de negatieve beoordeling van haar gedrag en pleitte voor meer omgangsmomenten zonder begeleiding en met onderzoek door een onafhankelijke deskundige. Het hof oordeelde dat het belang van de minderjarige voorop staat en bevestigde de GI's voorstel, waarbij de GI de ruimte krijgt om de omgangsregeling aan te passen aan de draagkracht van het kind.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het verzoek tot omgang met de pleegdochter was afgewezen, en het hof bepaalde dat de omgang twee keer per jaar begeleid zal plaatsvinden, met ruimte voor uitbreiding. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.