Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland–West-Brabant betreffende een naheffingsaanslag accijns over de periode van 6 april 2016 tot en met 31 december 2018, inclusief een boetebeschikking en belastingrente.
Tijdens de mondelinge zitting op 19 april 2024 was de inspecteur aanwezig, maar belanghebbende verscheen niet, ondanks een aangetekende uitnodiging die correct was bezorgd. Het hof oordeelde dat belanghebbende rechtsgeldig was uitgenodigd.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat het hof binnen twee jaar na ontvangst van het hogerberoepschrift uitspraak deed. Tevens werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 1 mei 2024 en schriftelijk bevestigd. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.