De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind in een netwerkpleeggezin heeft verleend. De moeder betwist de uithuisplaatsing en stelt dat zij in staat is de opvoeding adequaat te verzorgen en wil meer hulpverlening in de thuissituatie.
De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stellen dat de machtiging noodzakelijk blijft vanwege zorgen over de opvoedingssituatie, het ontbreken van voldoende hulpverlening en het welzijn van de minderjarige. De minderjarige verblijft sinds december 2023 in het netwerkpleeggezin van de grootmoeder en stiefgrootvader.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en oordeelt dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW is voldaan. De machtiging tot uithuisplaatsing is op dit moment nog steeds noodzakelijk in het belang van de minderjarige. Wel is er onzekerheid over de stabiliteit van de netwerkpleegplaats vanwege een relatiebreuk tussen grootmoeder en stiefgrootvader en zorgen over de grootmoeder.
Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 1 juli 2024 en houdt verdere beslissing aan in afwachting van de uitkomst van de pleegzorgscreening die in mei wordt afgerond. De raad wordt verzocht hierover uiterlijk 1 juni 2024 te rapporteren. De moeder wordt aangespoord om actief hulpverlening te zoeken en te accepteren.