Deze zaak betreft het hoger beroep van de vrouw tegen de afwijzing van haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarige kinderen van haar voormalige partner, de moeder van de kinderen, die in 2021 is overleden.
De rechtbank Limburg had het verzoek van de vrouw reeds afgewezen, waarna het hof dit besluit bekrachtigt. De kinderen staan sinds 2022 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en zijn deels uit huis geplaatst vanwege ernstige problematiek zoals PTSS en hechtingsstoornissen.
De vrouw betoogt dat zij een nauwe persoonlijke betrekking heeft met de kinderen en een rol kan spelen in hun traumaverwerking, terwijl de vader en de raad het contact als schadelijk en onrustgevend voor de kinderen beschouwen. Het hof acht het contact niet in het belang van de kinderen, mede gezien de spanningen tussen de betrokken volwassenen en de instabiele situatie.
Het hof concludeert dat het verzoek tot omgang niet kan worden toegewezen zonder het risico dat de kinderen opnieuw klem komen te zitten in conflicten tussen volwassenen. Daarom wordt het verzoek afgewezen en de eerdere beschikking van de rechtbank bekrachtigd.