In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant heeft het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €324.603,00, aanzienlijk lager dan het eerdere bedrag van €747.852,21. De betrokkene werd eerder veroordeeld voor gewoontewitwassen over de periode 2014-2019.
De verdediging voerde primair niet-ontvankelijkheid aan en subsidiair afwijzing van de ontnemingsvordering, stellende dat witwassen niet ontnomen kan worden en dat geen voordeel uit strafbare feiten was verkregen. Het hof verwierp deze verweren, stellende dat het voordeel niet uit het bewezenverklaarde witwassen voortkomt, maar uit andere strafbare feiten, conform artikel 36e lid 3 Sr.
Het hof baseerde de schatting van het voordeel op een eenvoudige kasopstelling binnen de bewezenverklaarde periode, aangevuld met contant geld aangetroffen bij doorzoeking. De verdediging stelde de kasopstelling ondeugdelijk, maar het hof verwierp dit op grond van het eerdere strafarrest. De redelijke termijn in hoger beroep werd overschreden, maar zonder gevolgen vanwege strafmatiging in de onderliggende zaak.
Het hof legt de betalingsverplichting op aan de betrokkene en bepaalt de maximale gijzeling op 1080 dagen, conform de wettelijke normen. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht op basis van deze bevindingen.