Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/306112 / HA ZA 22-264)
2.Het geding in hoger beroep
- de namens [appellante] uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep met grieven, producties 42 tot en met 49 en incidentele vorderingen, en de conclusie van eis;
- de op 5 maart 2024 door [geïntimeerde] genomen antwoordmemorie in het incident.
3.De beoordeling in het incident
- Verkoper zal de op Bijlage 1 vermelde opdrachtgevers de eerste vier maanden na Leveringsdatum dus tot uiterlijk 5 maart 2022 (hierna:Betaalperiode) (blijven) factureren voor de periode tot 5 maart 2022 en behoudt de inkomsten uit de betalingen die volgen uit deze facturatie. Verkoper draagt over deze facturen de omzetbelasting af aan de belastingdienst;
- Koper voert met ingang van 5 november 2021 contractuele verplichtingen uit ten behoeve van de in Bijlage 1 vermelde opdrachtgevers gedurende deze Betaalperiode. Koper draagt alle kosten (waaronder de arbeidskosten) die met de dienstverlening aan deze opdrachtgevers gepaard gaat. Koper kan de voorbelasting over deze kosten in mindering brengen op haar omzetbelasting;
- Indien en voor zover de door Verkoper gedurende de Betaalperiode gefactureerde omzet (exclusief omzetbelasting) meer bedraagt dan de Koopsom, dan zal Verkoper dit verschil binnen veertien (14) dagen na Betaalperiode aan Koper betalen op een door Koper aan te geven bankrekening. Bij gebreke van tijdige en volledige betaling na deze 12 dagen na de Betaalperiode, verkeert Verkoper van rechtswege in verzuim.
- Indien en voor zover de door Verkoper gedurende de Betaalperiode gefactureerde omzet (exclusief omzetbelasting) minder bedraagt dan de Koopsom, dan zal Koper dit verschil binnen veertien (14) dagen na Betaalperiode aan verkoper betalen op een door Verkoper aan te geven bankrekening. Bij gebreke van tijdige en volledige betaling na deze 14 dagen na de Betaalperiode, verkeert Koper van rechtswege in verzuim.”
- de factuur van 18 maart 2022 ten bedrage van € 23.622,87 exclusief btw;
- de factuur van 7 april 2022 ten bedrage van € 6.960,24 exclusief btw;
- de factuur van 16 mei 2022 ten bedrage van € 1.165,74 inclusief btw, die [appellante] aan [geïntimeerde] heeft gezonden omdat [geïntimeerde] niet alle lopende verplichtingen jegens opdrachtgevers is nagekomen en [appellante] om die reden creditnota’s aan opdrachtgevers heeft moeten verzenden.
- I. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] het recht had op verrekening van een bedrag van € 20.745,09 met vorderingen van [appellante] op [geïntimeerde] uit hoofde van de koopovereenkomst tussen partijen;
- II. een verklaring voor recht dat [appellante] schadeplichtig is jegens [geïntimeerde] wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit koopovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] ;
- III. veroordeling van [appellante] tot betaling van schadevergoeding aan [geïntimeerde] , op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente;
- IV een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] haar betalingsverplichtingen jegens [appellante] heeft mogen opschorten en opgeschort mag houden totdat in de schadestaatprocedure tussen [geïntimeerde] en [appellante] een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal zijn gewezen, dan wel totdat tussen partijen een minnelijke regeling overeen is gekomen;
- V. veroordeling van [appellante] tot betaling van een voorschot van € 21.442,08 op de nader bij staat op te maken schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente;
- VI. veroordeling van [appellante] tot afgifte van de personeelsdossiers van de heren [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] , zoals nader omschreven in bijlage 2 bij de koopovereenkomst van 2 november 2021, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- VII. veroordeling van [appellante] tot afgifte van de opdrachtovereenkomsten met en werkinstructies van de door [geïntimeerde] van [appellante] overgenomen opdrachtgevers, zoals nader omschreven in bijlage 1 bij de koopovereenkomst van 2 november 2021, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- [geïntimeerde] heeft in de eerste vier maanden na de leveringsdatum werkzaamheden uitgevoerd. [appellante] heeft daarover een omzet gefactureerd van in totaal € 94.416,89. Dit bedrag is lager dan de overeengekomen koopsom van € 125.000,--. [geïntimeerde] moet op grond van artikel 2.2 van de koopovereenkomst dus nog € 30.583,11 aan [appellante] betalen. De facturen van 18 maart 2022 en 7 april 2022 die tezamen € 30.583,11 exclusief btw bedragen, zijn dus in beginsel door [geïntimeerde] verschuldigd (rov. 4.4).
- Het beroep van [geïntimeerde] op verrekening van haar betalingsverplichting met een door [geïntimeerde] gestelde tegenvordering van € 20.745,09 ter zake vakantiegelden en vakantie-uren van werknemers, slaagt niet. Vordering I in reconventie wordt daarom afgewezen (rov. 4.6).
- De vordering van [appellante] in conventie ter zake haar factuur van 16 mei 2022 ten bedrage van € 1.165,74 inclusief btw ter zake het door [geïntimeerde] niet goed nakomen van alle verplichtingen jegens opdrachtgevers is niet toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft zich ten aanzien van die verplichtingen terecht beroepen op schuldeisersverzuim aan de zijde van [appellante] (rov. 4.11).
- [appellante] is op de in rov. 4.11 van het vonnis vastgestelde wijze tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De mogelijkheid dat [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden is aannemelijk. Omdat de omvang van de schade in deze procedure niet kan worden vastgesteld, zal de rechtbank partijen verwijzen naar de schadestaatprocedure. De vorderingen II en III in reconventie worden daarom toegewezen (rov. 4.14).
- [geïntimeerde] heeft zich beroepen op opschorting van haar betalingsverplichting ter zake de facturen van 18 maart 2022 en 7 april 2022 ten bedrage van tezamen € 30.583,11 exclusief btw, zodat zij die betalingsverplichting kan verrekenen met haar tegenvordering tot schadevergoeding. Aan de vereisten voor deze opschorting is voldaan. Dat de omvang van de vordering tot schadevergoeding nog niet is vastgesteld, staat daar niet aan in de weg. Omdat het beroep op opschorting slaagt, zijn de vorderingen van [appellante] in conventie niet toewijsbaar en moet vordering IV in reconventie worden toegewezen (rov. 4.16).
- Vordering V in reconventie is niet toewijsbaar omdat in deze procedure niet vast te stellen is in hoeverre er schade voor rekening van [appellante] moet komen. Dit moet in de schadestaatprocedure worden vastgesteld (rov. 4.17).
- De vorderingen VI en VII in reconventie zijn niet toewijsbaar omdat er geen aanwijzingen zijn dat [appellante] nog over die gegevens beschikt (rov 4.18).
- voor recht verklaard voor recht dat [appellante] schadeplichtig is jegens [geïntimeerde] wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] ;
- [appellante] veroordeeld tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde] , op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente;
- voor recht verklaard dat [geïntimeerde] haar betalingsverplichtingen jegens [appellante] heeft mogen opschorten en opgeschort mag houden totdat in de schadestaatprocedure(s) tussen [geïntimeerde] en [appellante] met betrekking tot de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade door het wanpresteren van [appellante] , een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal zijn gewezen, dan wel totdat tussen partijen dienaangaande een minnelijke regeling overeen is gekomen;
- de proceskosten van het geding in reconventie gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen;
- het in reconventie meer of anders gevorderde afgewezen.
- toewijzing alsnog van de vorderingen van [appellante] in conventie;
- afwijzing alsnog van de door de rechtbank toegewezen vorderingen II, III en IV in reconventie;
- 1. het bestreden vonnis te schorsen, danwel [geïntimeerde] te verbieden het bestreden vonnis ten uitvoer te leggen, voor de duur van dit hoger beroep;
- 2. te bepalen dat [geïntimeerde] haar betalingsverplichtingen jegens [appellante] niet mag opschorten, althans slechts mag opschorten tot een bedrag van € 5.000,- inclusief btw;
- 3. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de in conventie gevorderde hoofdsom van € 31.748,85, althans € 26.748,85 (de hoofdsom verminderd met een opgeschort bedrag van € 5.000,--), vermeerderd met rente;
- a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
- b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
- c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
- te bepalen dat [geïntimeerde] haar betalingsverplichtingen jegens [appellante] niet mag opschorten, althans slechts mag opschorten tot een bedrag van € 5.000,- inclusief btw;
- [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de in conventie gevorderde hoofdsom van € 31.748,85, althans € 26.748,85 (de hoofdsom verminderd met een opgeschort bedrag van € 5.000,--), vermeerderd met rente.