Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Het wettelijk stelsel wordt ontbonden door echtscheiding. In dat geval zijn de echtgenoten verplicht om binnen drie maanden na de melding van de echtscheiding een beschrijving en schatting op te maken van de tot het gemeenschappelijk vermogen behorende roerende goederen en schulden. Bij gebreke van deze boedelbeschrijving kan de omvang van het gemeenschappelijk vermogen worden bewezen door alle wettelijke middelen.
De ontbinding van het wettelijk stelsel leidt tot vereffening en verdeling. Als peildatum voor de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen geldt de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding en voor de waarde van de te verdelen goederen geldt het tijdstip van de verdeling als peildatum. Bij verdeling geldt als uitgangspunt een verdeling bij helfte.
manstelt zich
primairop het standpunt dat aan hem, afgerond, een bedrag toekomt van € 285.014,-- en aan de vrouw een bedrag van € 120.775,-- (grieven 2 en 3). Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat aan hem 2/3e deel van het depotbedrag toekomt (€ 270.526,47) en aan de vrouw 1/3e deel (€ 135.263,23). (Grief 1)
vrouwverweert zich tegen het door de man gestelde en zij heeft twee incidentele grieven opgeworpen.
primairestandpunt van de vrouw (en tevens het meest verstrekkende verweer tegen het verzoek van man), neergelegd in grief 1 in het incidenteel hoger beroep, heeft betrekking op de door de man in het geding gebrachte overeenkomst tussen de man en de vrouw van 10 februari 2013 (productie 14 bij inleidend verzoekschrift) waaruit, naar de stelling van de man, blijkt dat hem 2/3e deel van de opbrengst van het depot toekomt en de vrouw 1/3e deel.
manheeft de grieven van de vrouw weersproken.
hofzal allereerst het
primaire standpunt van de vrouwbespreken. Indien grief 1 in het incidenteel hoger beroep slaagt, komt het hof immers niet meer toe aan de primaire en subsidiaire vordering van de man en het subsidiaire standpunt van de vrouw.
manhoudt in dat aan hem, afgerond, een bedrag toekomt van € 285.014,-- en aan de vrouw een bedrag van € 120.775,--. De man voert daartoe, in de grieven 2 en 3, het volgende aan.
vrouwheeft de grief van de man gemotiveerd weersproken.
aankoop(onderstreping door vrouw) van de woning is gefinancierd met een bedrag van € 124.739,-- van de man (nr. 15 verweerschrift in hoger beroep).
€ 14.500,-- (betaling keuken)
€ 15.000,-- + € 2.239,14 (betaling [bedrijf 2] )
€ 11.000,-- (overboeking)
manheeft de grief van de vrouw gemotiveerd weersproken.
hofoverweegt als volgt.
€ 14.500,-- (betaling keuken)
€ 15.000,-- + € 2.239,14 (betaling [bedrijf 2] )
€ 11.000,-- (overboeking)
€ 67.072,68
rente. Daarmee faalt grief 3 van de man.
manis van mening dat de rechtbank ten onrechte de bedragen (€ 1.100,-- en € 9.274,26) als te verrekenen saldo in aanmerking heeft genomen en daarbij wijst de man op art. 2.3.15 BBW (art. 1448 Oud Pro BW). Nu vaststaat dat de vrouw het bedrag ad € 1.100,-- zonder geldige reden heeft opgenomen en niet heeft kunnen aangegeven wanneer en waaraan zij dit geld heeft besteed, heeft zich zij schuldig gemaakt aan heling als bedoeld in genoemd wetsartikel. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedrag ad € 9.274,26, dat de vrouw zonder geldige redenen kort voor de peildatum heeft overgeboekt naar een onbekende, op haar naam staande, rekening. De man wijst op een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 31 januari 2008, waarin werd geoordeeld dat het afhalen van gemeenschapsgelden kort voor het opstarten van een echtscheidingsprocedure, met de bedrieglijke intentie om de gelden aan de verdeling te onttrekken en zonder zulks te vermelden, aangemerkt dient te worden als heling.
vrouwverweert zich. Zij stelt in de eerste plaats dat uitgegaan dient te worden van art. 1448 Oud Pro BW, gezien de ingangsdatum van art. 2.3.15 BBW in juli 2022.
hofoverweegt, onder verwijzing naar hetgeen hierboven in rov. 5.5.5. reeds is overwogen, dat het zal beoordelen of sprake is van heling in de zin van art. 2.3.15 BBW. Van het te kwader trouw informatie verzwijgen of het afleggen van valse verklaringen door de vrouw is niet gebleken. De vrouw heeft die stelling van de man voldoende betwist. In dit oordeel heeft het hof betrokken dat de man niet heeft weersproken dat aan het einde van het jaar wel vaker contanten werden opgenomen om fiscale redenen, alsook dat de man niet heeft betwist dat er kinderopvangtoeslag terugbetaald moest worden. Aldus faalt grief 4 van de man.
manheeft een grief opgeworpen tegen dit oordeel (grief 5). Hij stelt dat de vrouw buiten zijn medeweten de gehele voormalige echtelijke woning heeft leeggehaald en zich de volledige inboedel heeft toegeëigend door deze elders, op voor de man onbekende plekken, op te slaan. Aldus handelende, heeft de vrouw zich ook ten aanzien van de inboedel schuldig gemaakt aan heling waardoor zij haar aandeel in de geheelde inboedel dient te verliezen, althans de waarde daarvan.
vrouwis met de rechtbank van mening dat uit hetgeen partijen hebben gesteld
hofoverweegt in de eerste plaats dat art. 2.3.15 BBW het wettelijke toetsingskader is (zie ook rov. 5.5.5 en rov. 5.10.4.) Ook ten aanzien van de inboedel heeft de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd en aangetoond dat sprake is van te kwader trouw verzwijgen van informatie of het afleggen van valse verklaringen met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap. Aldus kan grief 5 van de man niet slagen.
manis van mening dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld de door de vrouw betaalde bedragen aan kinderopvangtoeslag terug te betalen. Hij voert daartoe aan dat uit een e-mailbericht van 9 maart 2022 van de advocaat van de vrouw aan de toenmalige advocaat van de man blijkt dat de vrouw in 2019, derhalve voor indiening van het
vrouwverweert zich. Het e-mailbericht van 9 maart 2022 waar de man aan refereert, bevindt zich niet in het procesdossier. De vrouw heeft kort voor de peildatum een bedrag van € 9.274,26 overgeschreven naar een bankrekening op haar naam in verband met het kunnen terugbetalen van de kinderopvangtoeslag. Door de rechtbank is bepaald dat de vrouw de helft van dit bedrag aan de man moet voldoen, nu het geld van de gemeenschap betrof. De vrouw heeft op 21 september 2020 een bedrag van de aan haar toegedeelde rekening (-020) € 8.789,-- voldaan aan de belastingdienst in verband met het terugbetalen van de kinderopvangtoeslag 2017. Op 28 februari 2022 heeft de vrouw een bedrag van € 8.460,-- terug ontvangen van de belastingdienst ter zake de kinderopvangtoeslag 2017. Nu de vrouw de aanslag ná de peildatum vanuit haar privévermogen heeft voldaan, heeft de man geen recht op de helft van € 8.460,--. Het bedrag dat vóór de peildatum ten behoeve van de betaling van de kinderopvangtoeslag door de vrouw is overgeboekt, is reeds tussen partijen verrekend op de wijze zoals door de rechtbank is bepaald in rov. 3.36 van de beschikking van 4 april 2022.
hofoverweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen kinderopvangtoeslag over de huwelijkse periode tot het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding tot het gemeenschappelijk vermogen behoren. Uitgangspunt is dan ook dat partijen de aanslagen die betrekking hebben op die periode ieder voor de helft dienen te voldoen en voorts dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot eventuele terugbetalingen die zien op die periode. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stukken dat door de vrouw ná de peildatum is betaald een bedrag van € 7.777,-- (productie 24 van de vrouw) ter zake de kinderopvangtoeslag, alsook een bedrag van € 8.789,-- (productie 22 van de vrouw).
man, onder verwijzing naar art. 2.3.46 BBW dat de rechtbank in haar beschikking van 17 oktober 2022 ten onrechte geen interesten heeft berekend over het door de vrouw aan de man te betalen bedrag uit overbedeling.
vrouwis van mening dat het Oud BW in deze van toepassing is, maar zij verzet zich niet tegen het door de man verzochte nu het Oud BW op dit punt overeenkomt met het BBW.
hofuitgaan van het bepaalde in art. 2.3.46 BW, welk artikel, althans § 3 van dat artikel, overigens hetzelfde luidt als art. 1436 Oud Pro BW. Nu de vrouw zich inhoudelijk niet heeft verweerd tegen deze grief, zal het hof bepalen dat interest is verschuldigd vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel. Daarmee slaagt de grief van de man.