Uitspraak
,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen zijn in 2017 gehuwd en in 2019 gescheiden. Uit hun relatie zijn twee minderjarige kinderen geboren, waarvan de vader het eerste kind heeft erkend. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over het tweede kind, [minderjarige 1], dat zij verzorgt.
De rechtbank verleende vervangende toestemming aan de vader om [minderjarige 1] te erkennen, omdat de moeder haar toestemming weigerde. De moeder maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat erkenning negatieve gevolgen zou hebben voor de emotionele en sociaalpsychologische ontwikkeling van het kind en haar eigen ouder-kindrelatie, mede vanwege de strafrechtelijke veroordeling van de vader voor bedreiging en zijn recente contactpogingen.
De vader ontkende de veroordeling en stelde dat hij sinds april 2023 geen contact meer heeft gezocht, behalve verjaardagswensen. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming onderschreven het belang van erkenning en concludeerden dat er geen contra-indicaties zijn.
Het hof oordeelde dat de belangen van de vader bij erkenning zwaarder wegen dan de door de moeder aangevoerde risico's. De vader is de biologische verwekker en erkenning schaadt de belangen van moeder en kind niet zodanig dat deze geweigerd moet worden. Ook het argument dat erkenning de vader een betere positie geeft bij gezagsverzoeken werd verworpen, omdat dit losstaat van erkenning en reeds onderwerp is van een lopend onderzoek.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en stelde dat de erkenning binnen twee maanden na onherroepelijkheid kan worden uitgevoerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming voor erkenning van het kind door de vader.