De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die haar ouderlijk gezag over haar minderjarige kind beëindigde. De moeder betwistte de gezagsbeëindiging en stelde dat lichtere maatregelen, zoals ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, voldoende waren en dat zij binnen afzienbare tijd weer voor haar kind zou kunnen zorgen.
De Raad voor de Kinderbescherming en de GI stelden dat de moeder ondanks langdurige hulpverlening niet in staat is gebleken haar situatie duurzaam te verbeteren. De minderjarige verblijft sinds 2022 in een netwerkpleeggezin bij de grootouders vanwege een onveilige en instabiele opvoedingssituatie bij de moeder, die kampt met verslavingsproblemen en psychische problematiek.
Het hof overnam de beoordeling van de rechtbank dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen. Het belang van het kind bij duidelijkheid en stabiliteit weegt zwaar, zeker gezien de jonge leeftijd van het kind. Daarom werd de beslissing tot beëindiging van het gezag van de moeder bekrachtigd.