Uitspraak
1.[het pensioenfonds] ,
[Stichting]
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak is het faillissement van [appellante] B.V. door de rechtbank Oost-Brabant uitgesproken op 14 mei 2024, nadat het Pensioenfonds en [Stichting] een faillissementsverzoek hadden ingediend wegens openstaande pensioenpremies en vermeende betalingsonmacht.
[Appellante] heeft hoger beroep ingesteld en betwistte aanvankelijk de hoogte van de vorderingen en de toestand van niet betalen. Zij stelde dat zij voldoende omzet behaalt om haar schulden te voldoen en dat zij bereid is de premies te betalen, ook uit het saldo op de boedelrekening. Er is een regeling getroffen met de aanvragers, maar de curator weigerde betaling vanwege een preferente vordering van de Belastingdienst.
De curator bracht naar voren dat naast de aanvragers ook andere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst met een grote vordering, niet zijn voldaan en dat er geen afdoende betalingsregeling met alle crediteuren is getroffen. Ondanks de verbeterde situatie van de bestuurder en de onderneming concludeert het hof dat de toestand van niet betalen nog steeds bestaat.
Het hof oordeelt dat de vorderingen voldoende aannemelijk zijn, er sprake is van pluraliteit van schuldeisers en dat [appellante] niet binnen redelijke termijn haar schulden kan voldoen. Daarom wordt het faillissement bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het faillissement van [appellante] B.V. vanwege de toestand van niet betalen ondanks een betalingsregeling.