Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[naam] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant heeft bij de rechtbank verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €27.692,19. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van zijn schulden, onder meer vanwege boetes en een aanzienlijke huurachterstand.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de boetes een gering deel van zijn schulden vormen en dat hij spijt heeft van de overtredingen. Hij benadrukte zijn studie en toekomstige baanperspectief en deed een beroep op de hardheidsclausule. De budgetcoach verklaarde dat appellant onder begeleiding zijn financiën beter beheert.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was. De schulden aan de Belastingdienst, verhuurder, CJIB, Translink en Felyx zijn volgens het hof niet te goeder trouw ontstaan, mede door gedragingen zoals het niet afdragen van omzetbelasting, het niet prioriteren van huurbetalingen en het plegen van overtredingen.
Het beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat appellant nog te kort bezig is met gedragsverandering. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende goede trouw.