Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De zaak betrof onder meer de handel in cocaïne over een periode van drie maanden en het bezit van wapens en munitie.
De verdediging voerde primair vrijspraak aan voor het eerste feit en betwistte de bewijslast omtrent de handel in cocaïne, onder meer vanwege onbetrouwbare getuigenverklaringen en een datumverschil in het proces-verbaal. Het hof oordeelde echter dat sprake was van een kennelijke schrijffout in de datum en achtte de verklaring van de getuige, die kort na zijn aanhouding verklaarde dat hij meerdere keren cocaïne bij verdachte had gekocht, geloofwaardig.
Het hof bevestigde dat verdachte op heterdaad is aangehouden met een grote hoeveelheid cocaïne en geld in kleine coupures, en dat in zijn woning drugs, wapens en aan handel gerelateerde goederen waren aangetroffen. De strafmotivering werd bevestigd, rekening houdend met eerdere veroordelingen van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Het hof legde een gevangenisstraf van 10 maanden op, met aftrek van voorarrest, en verwierp het verzoek tot vrijspraak en vermindering van de straf.