Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
DEUTSCHE BAHN AG,
DB NETZ AG,
DB BAHNBAUGRUPPE GMBH,
DB ENGINEERING & CONSULTING GMBH
DB PROJEKTBAU GMBH),
DB REGIONETZ INFRASTRUKTUR GMBH,
DB FAHRWEGDIENSTE GMBH,
DB STATION&SERVICE AG,
1.NEDRI SPANSTAAL B.V.,
HIT GROEP B.V.,
WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,
WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,
PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KOMMANDITGESELLSCHAFT,
6.de rechtspersoon naar Spaans recht ARCELORMITTAL ESPANA SA,
ARCELORMITTAL WIRE FRANCE SA,
ARCELORMITTAL SA,
9.de rechtspersoon naar Duits recht DWK DRAHTWERK KOLN GMBH,
SAARSTAHL AKTIENGESELLSCHAFT,
1.de rechtspersoon naar Italiaans recht CB TRAFILATI ACCIAI S.P.A.,
FAPRICELA-INDÚSTRIA DE TREFILARIA S.A.,
8.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 27 juli 2021;
- het concept-plan van aanpak op hoofdlijnen van DB c.s. d.d. 19 oktober 2021;
- de reactie van Nedri c.s., AM c.s. en DWK c.s. d.d. 26 oktober 2021;
- het kort verslag van overleg van 28 oktober 2021 van de raadsheer-commissaris;
- de akte uitlatingen overige onderwerpen en actiepunten van DB c.s. d.d. 14 december 2021, met producties 100 tot en met 108;
- het kort verslag van overleg van 5 april 2022 van de raadsheer-commissaris;
- de akte uitlating transactiegegevens van DB c.s. d.d. 3 mei 2022, met producties 109 tot en met 231;
- de geconsolideerde akte uitlating transactiegegevens van DB c.s. d.d. 15 juni 2022, met producties 109 tot en met 232;
- de antwoordakte van Nedri c.s. d.d. 20 december 2022, met producties 70 tot en met 78;
- de antwoordakte van AM c.s. d.d. 20 december 2022 met producties 60 tot en met 68;
- de antwoordakte van DWK c.s. d.d. 20 december 2022;
- de mondelinge behandeling op 29 november 2023, waarvan proces-verbaal;
- de voorafgaand aan deze mondelinge behandeling door DB c.s. toegezonden producties 233 tot en met 263 en het verzoek ex artikel 22 Rv Pro subsidiair incidentele conclusie ex artikel 843a Rv alsmede de door Nedri c.s., AM c.s. en DWK c.s. toegezonden productie (genummerd respectievelijk 30, 69 en 79).
De door mr. Frakes als raadsheer-commissaris gehouden overleggen met partijen vallen niet onder de regels voor de rechterswissel (zie onder meer HR 31 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076), nu hij daar uitsluitend regie heeft gevoerd.
9.De verdere beoordeling
A. te verklaren voor recht dat Geïntimeerden in strijd hebben gehandeld met artikel 101 VWEU Pro en dat zij dientengevolge hoofdelijke aansprakelijk zijn voor het geheel van de door DB c.s. geleden schade, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
[X](overgelegd als productie 237 door DB c.s.). Dit is de meest recente uitspraak van het Bundesgerichtshof die door partijen is overgelegd en daarin wordt verwezen naar eerdere relevante jurisprudentie, in het bijzonder de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 28 januari 2020 in de zaak
Schienenkartel II(productie 233 van DB c.s.) en de latere uitspraken van het Bundesgerichtshof van 23 september 2020 en 13 april 2021 in de zaken
LKW-Kartell Ien
LKW-Kartell II(producties 249 en 250 van DB c.s.).
[X]citeren:
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (de zogenoemde
Kartellbefangenheit). Uit onder meer de uitspraak van het Bundesgerichtshof in de zaak
[X]blijkt dat de maatstaf voor
Betroffenheit– thans – is dat slechts (
lediglich)vereist is dat het mededingingsbeperkende gedrag direct of indirect schade heeft kunnen veroorzaken bij de eisende partij. Of dit gedrag daadwerkelijk schade heeft veroorzaakt, en dus of er sprake is van
Kartellbefangenheit, is een andere vraag (
weitergehende Frage). Voor het vaststellen van aansprakelijkheid hoeft die vraag niet te worden beantwoord. Daarom hoeft daarvoor ook niet te worden vastgesteld dat de eisende partij concreet en individueel is geschaad door het kartel. Daarvoor is voldoende dat de eisende partij producten heeft gekocht die onder de mededingingsinbreuk vallen.
By its very nature, the implementation of a cartel agreement of the type described above automatically leads to a significant distortion of competition, which is exclusive benefit to producers participating in the cartel and is highly detrimental to costumers and, ultimately, to the general public”.
In the present case, (…), there is evidence that the cartel decisions were (at least partly)implementedand that therefore actual anti-competitiveeffectsof the cartel arrangements are likely to have taken place. (…) Whilst the competition-restricting object of the arrangements is sufficient to support the conclusion that Article 101(1) of the TFEU and Artikel 53(1) of the EEA Agreement apply, the likelihood of the competition-restricting effects of those arrangements had also been established and leads tot the same conclusion. (…) it should be recalled that a cartel affects all market participants, i.e. all clients and also all companies that do not take part in a cartel, by way of a higher price level.”
[X]). Het hof heeft in het tussenarrest van 27 juli 2021 DB c.s. in de gelegenheid gesteld om hun vorderingen toe te lichten aan de hand van transacties (contracten, facturen, pakbonnen, gegevens uit haar administratie en jaarstukken, enzovoort) en/of andere voldoende inzichtelijke gegevens, zoals afgenomen tonnen per entiteit, per jaar en per leverancier, met een overzicht van de toepasselijke prijzen (zie rov. 6.14 onder 3). Vervolgens heeft de raadsheer-commissaris in een tweetal overleggen, op 28 oktober 2021 en op 5 april 2022, met partijen besproken welke informatie het hof verwacht en hoe deze dient te worden aangeleverd. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de geconsolideerde akte uitlating transactiegegevens van DB c.s. d.d. 15 juni 2022 van DB c.s. met producties 109 tot en met 232.
prestressing steel”). Het hof verwijst naar hetgeen in het Besluit op blz. 9 is opgenomen onder het kopje ‘1. The Product’. Hieruit blijkt dat het kartel had betrekking op gehele sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels. Spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en metaalstrengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van (onder andere) funderingen, balkons, bruggen, ondergrondse bouwwerken en betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘
railway sleepers’). De vorderingen van DB c.s. hebben betrekking op aankopen van spanstaal voor gebruik in spoorbielzen en andere bouwwerken die onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan het Duitse spoorwegennet.
Kartellbetroffenheit, en dus niet ook
Kartellbefangenheit– dat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel.
Aktivlegitimationvoldaan is aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht en dat de zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen om de schade te begroten. Het hof ziet geen aanleiding nadere gegevens van DB c.s. te verlangen. DB c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de inspanningen hebben verricht en de kosten hebben gemaakt die in deze fase van hen kan worden gevergd. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de toelichting van de data specialisten van DB c.s. tijdens de mondelinge behandeling op 29 november 2023. Het is evenmin nodig in dit stadium van deze procedure en voor de thans te geven beoordelingen op grond van artikel 22 Rv Pro dan wel op grond van artikel 843a Rv te proberen gegevens van geïntimeerden te verkrijgen. Aan het verzoek daartoe van DB c.s. gaat het hof dan ook thans voorbij bij gebrek aan belang.
LKW-Kartell Iin rechtsoverweging 33).
Aktivlegitimationvan toepassing zijn. Het hof heeft in dit arrest een onderscheid gemaakt tussen de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid (
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (
Kartellbefangenheit). De slotsom is dat DB c.s. aan hun stelplicht hebben voldaan voor wat betreft de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid. Aan nadere bewijslevering komt het hof niet toe.
LKW-Kartell IIaanhalen. Deze rechtsoverweging geeft inzicht in waarom in deze fase niet hoeft te worden vastgesteld dat DB c.s. concreet en individueel is geschaad door het kartel. In rechtsoverweging 21 van deze uitspraak overweegt het Bundesgerichtshof:
Die Anforderungen an die Haftungsbegründung tragen damit dem Umstand Rechnung, dass das Kartellverbot als Gefährdungstatbestand bereits die Absprache zwischen den Wettbewerbern wegen des damit verbundenen Eingriffs in die Freiheit des Wettbewerbsprozesses und der sich daraus ergebenden Störung insbesondere des wettbewerblichen Preisbildungsmechanismus ohne Rücksicht auf die aus ihr folgenden unmittelbaren und mittelbaren Auswirkungen auf die Marktakteure sanktioniert, die ohnehin nur mit erheblichen Schwierigkeiten festgestellt werden können. Angesichts der Besonderheiten des nicht gegen einzelne Marktteilnehmer, sondern die Marktgegenseite gerichteten kartellrechtlichen Deliktstatbestands bedarf es daher auch nicht der Feststellung einer konkret-individuellen Betroffenheit.”
Schienenkartel V(rechtsoverwegingen 59 en 67). Het hof stelt allereerst vast dat van een verrassingsbeslissing geen sprake is. Voorafgaand aan het tussenarrest van 27 juli 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 26 april 2021. In de pleitaantekeningen van DB c.s. voor die mondelinge behandeling wordt op blz. 5 in randnr. 2.13 aangevoerd dat de opbrengst van de vorderingen als winst uiteindelijk aan de Duitse staat zal toekomen aangezien hij 100% aandeelhouder is van Deutsche Bahn AG die op haar beurt DB Netz volledig in handen heeft. Hierop heeft het hof in het tussenarrest van 27 juli 2021 zijn beslissing gebaseerd. Geïntimeerden betwisten ook niet dat de Duitse staat jaarlijks financiering verstrekt aan DB c.s. en dat door DB c.s. verkregen ‘voordelen’ (schadevergoeding) in enig jaar daarop in mindering strekken. Overigens hebben DB c.s. tijdens de mondelinge behandeling op 29 november 2023 het onderhavige verweer herhaald.
upstream pass-onis geweest. De
upstream pass-onbetekent dat de cedenten extra kosten door het kartel (
overcharge) hebben doorgegeven (via de prijzen bij transacties tussen de cedenten en DB c.s.) aan de cessionaris. In het alternatieve geval (100%
upstream pass-on, overchargegeheel doorgegeven aan DB c.s.) zijn de cessies niet nodig, omdat DB c.s. dan zelf alle gestelde schade lijden.
DWK therefore, under point 8(b) of the Leniency Notice, qualifies for full immunity from the fine that would otherwise have been imposed on it for this infringement. Saarstahl AG, which formed part of the same undertaking as DWK at the time of the submission of the evidence, benefits from the same immunity from the fine.”
On the basis of the 100% ownership, the yearly approval mechanism and regular reporting obligations from DWK to Saarstahl AG and on the basis of Saarstahl's (similar) business activities, the Commission considers that Saarstahl AG exercised decisive influence on DWK and holds it liable for DWK's cartel activities.”
Naar het oordeel van het hof staat de verkregen boete-immuniteit er niet aan de weg dat DWK c.s. in deze procedure hoofdelijk civielrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Het beroep op artikel 11 van Pro genoemde Richtlijn kan niet worden gehonoreerd. Deze richtlijn is in werking getreden op 26 december 2014, gezien artikel 23 van Pro de Richtlijn en de publicatie van de Richtlijn in het Publicatieblad op 5 december 2014 (PB L 349), terwijl de onderhavige procedure is aangevangen op 31 december 2013. Gelet op het verbod van terugwerkende kracht in artikel 22, in het bijzonder lid 2, van de Richtlijn, is de Richtlijn temporeel niet van toepassing op de onderhavige procedure.
Richtlijnconforme interpretatie – zo al mogelijk – stuit in dezen af op de rechtszekerheid. De onderlinge draagplicht tussen geïntimeerden is geen onderdeel van deze procedure.
an sich, hetzij als gevolg van eigen schuld — dient bovendien rekening te worden gehouden met het feit dat het Duitse certificeringssysteem in strijd was met de vrijheid van goederen als vastgelegd in artikel 34 VWEU Pro. Geïntimeerden kunnen dit verweer, als gevolg van de (beweerdelijke) cessie door de Duitse staat, ook tegen DB c.s. inroepen. Aldus – steeds – CB. Het hof begrijpt dit verweer als een beroep op – deels – eigen schuld van de Duitse staat. De beoordeling daarvan kan plaatsvinden in de schadestaatprocedure. In die procedure kan in de context van de aanspraken van DB c.s. die hun oorsprong vinden in de positie van de Duitse staat per vordering worden beoordeeld in hoeverre de kartelschade aan geïntimeerden kan worden toegerekend. Aan dit verweer gaat het hof dan ook verder voorbij.
Aktivlegitimation, zoals hiervoor al is geoordeeld (in rov. 9.4.11), aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht voldaan en kan de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen om de schade te begroten. Geïntimeerden zijn gemeenschappelijk en hoofdelijk aansprakelijk, zoals DB c.s. hebben toegelicht. Uit al het voorgaande blijkt tot slot dat geen van de verweren van geïntimeerden tegen toewijzing van de vorderingen onder A tot en met D van DB c.s. slaagt. Op grond van artikel 33 GWB Pro als in deze zaak aan de orde zijn deze vorderingen zijn dan ook toewijsbaar.
Grauzementkartel II, dat artikel 33 (5) GWB 2005 ook van toepassing is op schadevorderingen die zijn gebaseerd zijn op inbreuken op het mededingingsrecht die voor de inwerkingtreding van 7e GWB-wijzigingswet hebben plaatsgevonden en op het moment van inwerkingtreding nog niet waren verjaard. Voorts heeft hof in dit tussenarrest van 28 januari 2020 reeds geoordeeld dat de vorderingen van DB c.s. niet zijn verjaard. DB c.s. kunnen hun rentevordering dus baseren op § 33(3) van de GWB 2005 (en de artikelen in het BGB waarnaar die bepaling respectievelijk verwijst).