Deze zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen de ondertoezichtstelling van hun drie minderjarige kinderen, uitgesproken door de rechtbank Limburg. De kinderen zijn onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling en onvoldoende acceptatie van noodzakelijke hulpverlening door de ouders.
De ouders betwisten de problematiek en stellen dat vrijwillige hulpverlening voldoende is, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) wijzen op het bagatelliseren van zorgen door de ouders, onvoldoende opvolging van adviezen en zorgen over verslavingsgevoeligheid. Het hof overweegt dat de ouders onvoldoende met de hulpverlening samenwerken en dat het gedwongen kader noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.
Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de ondertoezichtstelling voor de periode van 5 februari 2024 tot 5 september 2024, omdat de ouders niet voldoende zorg accepteren en het belang van de kinderen dit vereist. De verwachting is dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn weer in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen.