[geïntimeerde] heeft een uitkering ontvangen van € 79.411,54, waarvan op 30 januari 2018 nog € 51.054,- resteerde. Zij had toen dus grofweg € 28.000,- uitgegeven. Hoewel het hof hiervoor heeft geoordeeld dat het niet uit kan gaan van een natuurlijke verbintenis, en het hof ook van oordeel is dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft geconcretiseerd dat zij het door haar uitgegeven bedrag (geheel) heeft besteed aan de kinderen, zal het hof bij de vaststelling van wat een redelijk bedrag is dat [geïntimeerde] moet betalen, wel de omvang van de kinderalimentatie betrekken als relevante omstandigheid.
[geïntimeerde] heeft in verband met de vaststelling van een redelijk bedrag aangevoerd dat erflater € 500,- per maand aan kinderalimentatie betaalde (€ 250,- per kind) naast studiekosten en kosten van verenigingen etc. [geïntimeerde] heeft echter geen enkel inzicht gegeven in wat de kosten daarvan zijn. [geïntimeerde] heeft over die kosten verder niets aangevoerd. Het hof kan daarom alleen uitgaan van de kinderalimentatie.
Wanneer het hof de hoogte van de kinderalimentatie betrekt in de vaststelling van het te betalen bedrag, dan komt het hof bij een grove inschatting tot de slotsom dat, uitgaande van het bedrag van de kinderalimentatie, het door [geïntimeerde] uitgegeven bedrag zo ongeveer overeenkomt met de kinderalimentatie die erflater nog zou hebben betaald (met dien verstande dat het hof geen rekening kan houden met wijzigingen daarin). Daarbij merkt het hof op dat [geïntimeerde] in een korte periode heel veel meer heeft uitgeven, maar dat dient voor haar risico te komen. Ook wat dat betreft komt het voor haar risico dat zij niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zij waaraan heeft uitgegeven.
Rekenend vanaf het moment van overlijden van erflater en rekenend tot het moment dat hij was blijven betalen wanneer hij niet was overleden, had [geïntimeerde] , uitgaande van het bedrag aan kinderalimentatie, in totaal € 31.750,- kunnen besteden aan de kinderen (voor [kind 1] € 10.750,- tot 21 jaar en voor [kind 2] € 21.000,- tot 21 jaar).
Rekenend vanaf het moment van de ontvangst van de uitkering en rekenend tot het moment dat erflater was blijven betalen wanneer hij niet was overleden, zou dat ongeveer € 27.250,- (voor [kind 1] nog € 8.500,- tot 21 jaar en voor [kind 2] nog € 18.750,- tot 21 jaar) zijn geweest.
Het hof acht het redelijk om daarbij uit te gaan van 21 jaar (en niet van 18) omdat het in dit geval niet zozeer gaat om de vraag aan wie betaald had moeten worden, maar om het bedrag dat redelijkerwijs kon worden uitgegeven.