In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor doodslag en poging tot doodslag. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld, maar het hof sluit zich aan bij het beroep op noodweer en bevestigt het ontslag van verdachte.
Het hof heeft onderzocht wie de slachtoffers heeft gestoken en met welk voorwerp. Uit verklaringen en forensisch onderzoek blijkt dat de verdachte, en niet de medeverdachte, de slachtoffers heeft gestoken. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld of het steekwapen een mes of een glasscherf was, is bewezen dat het letsel is toegebracht met een scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp.
Het hof oordeelt dat verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waarbij hij met stokken en bierflesjes werd aangevallen en een hoofdwond opliep. Zijn gebruik van een scherp voorwerp was proportioneel en noodzakelijk, waardoor het beroep op noodweer slaagt. De vorderingen van de benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard, maar het hof vernietigt de beslissing dat deze bij de burgerlijke rechter moeten worden aangebracht.