Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:2432

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juli 2024
Publicatiedatum
25 juli 2024
Zaaknummer
20-001156-20
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering na verbeurdverklaring geldbedrag bij pseudokoop

In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd dat de betrokkene verplichtte tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel van €22.000 aan de Staat.

De zaak betreft een pseudokoop van circa 65,65 kilogram MDMA op 8 april 2014, waarbij een bedrag van €202.500 door kopers werd overhandigd. Dit bedrag is in de strafzaak tegen betrokkene en medebetrokkenen verbeurdverklaard.

De verdediging voerde primair niet-ontvankelijkheid aan wegens vrijspraak in de hoofdzaak, subsidiair afwijzing van de ontnemingsvordering en meer subsidiair matiging van het bedrag. Het hof oordeelde dat het verbeurdverklaarde bedrag de ontnemingsvordering uitsluit en wees de vordering af.

Het arrest bevestigt de veroordeling van betrokkene voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en legt daarmee het juridisch kader voor de afwijzing van de ontnemingsvordering.

Uitkomst: Het hof wijst de ontnemingsvordering af omdat het geldbedrag reeds verbeurdverklaard is.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001156-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 mei 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993236-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 22.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 145 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
  • de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof van oordeel is dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
  • subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
  • meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] en indien het wederrechtelijk verkregen voordeel van medebetrokkene [medeverdachte 2] op een bedrag van € 1.000,00 wordt geschat, op een bedrag van € 100.750,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Door de verdediging is primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de betrokkene in de hoofdzaak als verdachte volledig moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de ontnemingsvordering afgewezen dient te worden. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat aanzienlijk te matigen en de berekening te laten plaatsvinden, rekening houdend met de productie-, inkoop- en verkoopprijs van xtc-pillen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002203-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 samen met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.