In deze strafzaak stond de betrokkene terecht voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit de Opiumwet. Op 8 april 2014 heeft hij samen met anderen circa 65,65 kilogram MDMA verkocht. Het totale bedrag van €202.500,00 dat bij de pseudokoop door de kopers is overhandigd, is in de hoofdzaak verbeurdverklaard.
De rechtbank had eerder het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €1.000,00 en de betrokkene verplicht tot betaling van dat bedrag aan de Staat. Tegen dit vonnis stelde de officier van justitie hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis en oordeelde dat het bedrag dat bij de pseudokoop is overhandigd reeds verbeurd is verklaard, waardoor de ontnemingsvordering niet kan worden toegewezen.
Het hof overwoog dat het primaire verzoek van de advocaat-generaal om de ontnemingsvordering af te wijzen, gelet op de verbeurdverklaring van het geldbedrag, gevolgd moest worden. Subsidiaire verzoeken om het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag vast te stellen werden niet toegewezen. Het vonnis werd vernietigd en de vordering tot betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.