In deze zaak gaat het om het hoger beroep van ouders tegen een ondertoezichtstelling van hun minderjarige dochter, die door de rechtbank voor de duur van een jaar was opgelegd. De minderjarige heeft een moeilijke periode achter de rug met onder meer somberheid en escalaties in de thuissituatie, mede beïnvloed door de coronacrisis. De ouders erkennen de zorgen maar benadrukken hun inzet en het vertrouwen in eigen kracht en vrijwillige hulp.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) stellen dat de problematiek complex is en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en het traject bij een kinderpsychologenpraktijk te waarborgen. Het hof onderschrijft de ernst van de situatie en de noodzaak van toezicht, maar acht een duur van zes maanden voldoende, zodat het traject bij de kinderpsycholoog kan starten en daarna hulp in het vrijwillige kader kan worden voortgezet.
Het hof vernietigt daarom het deel van de beschikking dat de ondertoezichtstelling verlengt na 10 oktober 2024 en wijst het verzoek van de raad voor de resterende periode af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Hiermee wordt een balans gevonden tussen noodzakelijke bescherming en het respecteren van de positie van de ouders en minderjarige.