In deze strafzaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, waarin verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
De verdachte voerde primair een beroep op (putatief) noodweer(exces) aan, stellende dat de benadeelde partij een vuurwapen bij zich had en daarmee een onmiddellijke dreiging vormde. Het hof heeft dit verweer uitgebreid onderzocht aan de hand van camerabeelden, getuigenverklaringen en het dossier. De beelden toonden geen vuurwapen bij de benadeelde partij en onafhankelijke getuigen bevestigden dit niet. De verklaring van de zoon van verdachte werd vanwege familieband en tijdsverloop als ongeloofwaardig beoordeeld.
Het hof concludeerde dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding die de noodzaak tot verdediging rechtvaardigde, en verwierp daarom het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweerexces. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 65 dagen (waarvan 25 voorwaardelijk) en een taakstraf van 160 uur, en een schadevergoeding aan de benadeelde partij van €300,- werd toegewezen.