De verdachte werd door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van verschillende drugsfeiten en wapenbezit. In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd, met een aanpassing van de kwalificatie van één van de bewezenverklaarde feiten.
Het hof heeft het bewijs en de gronden van de rechtbank overgenomen en aangevuld waar nodig. De strafoplegging blijft ongewijzigd vanwege de ernst van de feiten, waaronder het bezit van een grote hoeveelheid harddrugs, chemicaliën voor de productie van GHB en handel, ook over de grens. Het justitiële verleden van de verdachte, met eerdere veroordelingen in Zwitserland en België, werd meegewogen.
Hoewel de verdediging pleitte voor een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden vanwege verslavingsproblematiek en positieve ontwikkelingen tijdens het voorarrest, oordeelde het hof dat een gevangenisstraf van vijf jaar passend is. De jurisprudentie aangehaald door de verdediging was onvoldoende vergelijkbaar. Het hof vernietigde het vonnis alleen voor de kwalificatie van feit 4 en stelde deze opnieuw vast, bevestigde verder het vonnis en sprak de straf uit op 12 augustus 2024.