In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd waarbij verdachte is veroordeeld voor vier feiten van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en een feit in strijd met artikel 2, onder C, van de Opiumwet. De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden gericht op gedragsinterventie en controle op middelengebruik.
Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van feit 5, conform artikel 404, vijfde lid, Sv. De bewezenverklaring van feit 3 is door het hof licht verbeterd door de merknaam van de kogelpatronen te corrigeren, zonder dat dit nadelig is voor verdachte.
De advocaat-generaal had gevorderd het vonnis integraal te bevestigen. Het hof volgde dit en bevestigde het vonnis voor zover het aan het oordeel van het hof was onderworpen. De bijzondere voorwaarden en de onttrekking van inbeslaggenomen voorwerpen blijven gehandhaafd.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 25 juli 2024, waarbij één raadsheer wegens onmacht het arrest niet mede heeft ondertekend.