De zaak betreft een geschil tussen ouders over het verblijf en omgang van hun minderjarige kind na het plotselinge vertrek van de moeder met het kind naar Polen. De vader vorderde een verhuisverbod en een bevel tot terugverhuizing van de moeder met het kind naar Nederland, met dwangsommen bij niet-naleving.
De moeder beriep zich op medische noodzaak voor haar verblijf in Polen en betwistte dat zij de omgang tussen vader en kind belemmerde. De vader stelde dat de moeder het kind onttrok aan zijn gezag en dat het verblijf in Polen de omgang ernstig bemoeilijkte.
Het hof oordeelde dat het verhuisverbod en terugkeerverplichting vanaf 15 januari 2024 niet langer uitvoerbaar zijn omdat het hoofdverblijf van het kind bij de vader is vastgesteld en de moeder zich zonder het kind vrij mag vestigen. Voor de periode daarvoor bekrachtigde het hof het vonnis, waarbij het vertrek naar Polen en het belemmeren van omgang als onrechtmatig werden aangemerkt. De proceskosten werden gecompenseerd.