De kantonrechter had een bewind ingesteld over de goederen van de rechthebbende vanwege diens lichamelijke beperkingen en moeite met het zelfstandig beheren van zijn financiën. De rechthebbende kwam hiertegen in hoger beroep omdat hij van mening was dat hij weliswaar hulp nodig heeft, maar dat deze beter en effectiever door zijn familie kan worden geboden dan door een professionele bewindvoerder.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de familie, met name de bij de rechthebbende inwonende broer, actief betrokken is en bereid is om hem te ondersteunen bij zijn financiële zaken. De broer spreekt de moedertaal van de rechthebbende en kan daardoor beter communiceren dan een professionele bewindvoerder. De bewindvoerder had in eerste aanleg bezwaar gemaakt tegen opheffing, maar voerde in hoger beroep geen verweer meer.
Het hof oordeelt dat de noodzaak voor het beschermingsbewind niet langer bestaat nu de begeleiding door het eigen netwerk van de rechthebbende adequaat is. Het bewind wordt daarom per 1 oktober 2024 opgeheven. Tevens wordt bepaald dat de bewindvoerder binnen twee maanden na opheffing een eindrekening en verantwoording moet afleggen.