In deze zaak is in hoger beroep de benoeming van tante tot mentor van betrokkene aan de orde. Betrokkene woont sinds 2012 in een netwerkpleeggezin bij zijn grootouders en heeft een speciale band met tante, die door de rechtbank was benoemd tot mentor. Verzoekster, zus van betrokkene, betwist deze benoeming vanwege familieconflicten en de invloed van tante op betrokkene.
Tijdens het proces heeft het hof betrokkene afzonderlijk gesproken, die uitdrukkelijk aangaf tante als mentor te willen behouden. De rechtbank had eerder ook een bewindvoerder benoemd voor de goederen van betrokkene. Verzoekster stelde dat de benoeming niet in het belang van betrokkene was vanwege spanningen en beïnvloeding, en verzocht subsidiair om een onafhankelijke derde als mentor.
Het hof oordeelde dat de uitdrukkelijke voorkeur van betrokkene leidend is, tenzij gegronde redenen zich tegen de benoeming verzetten. Het hof vond dat tante een stabiele en betrokken mentor is die het belang van betrokkene goed overziet. Er waren geen aanwijzingen dat zij het belang van betrokkene zou schaden of dat betrokkene nadelige gevolgen ondervindt van familieperikelen.
Daarom werd de beschikking van de rechtbank bevestigd en de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd. Het hof sprak de hoop uit dat de familie zich zal inzetten voor het welzijn van betrokkene.