Deze zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake de zorg- en belregeling met betrekking tot haar minderjarige kind, dat onder toezicht is gesteld van een gecertificeerde instelling (GI).
De moeder vordert een ruimere contactregeling, terwijl de GI en betrokken instanties een beperking van de contactmomenten bepleiten vanwege de belasting die het contact legt op het kind, loyaliteitsconflicten en onveiligheid rondom de omgangslocatie. Het hof heeft het perspectiefonderzoek van een onafhankelijke instantie betrokken bij haar oordeel.
Het hof oordeelt dat een wekelijks contactmoment momenteel niet in het belang van het kind is en wijzigt de regeling naar eenmaal per drie weken twee uur begeleide omgang, met een begeleid belmoment van een kwartier per twee weken. De zogenoemde triggerbepaling blijft gehandhaafd om de veiligheid te waarborgen. De zorg- en belregeling kan onder regie van de GI worden uitgebreid indien dat in het belang van het kind is.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep van de moeder wordt deels toegewezen, waarbij de aangepaste zorgregeling wordt vastgesteld.