De zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 2021 uit huis is geplaatst bij de grootouders moederszijde. De vader, die in hoger beroep is gekomen tegen de verlenging van de machtiging bij de grootouders, verzocht om plaatsing bij hemzelf, mede op basis van een positief perspectiefonderzoek dat zijn stabiele en veilige opvoedsituatie bevestigt.
De gecertificeerde instelling (GI) stelde zich aanvankelijk op het standpunt dat de machtiging bij de grootouders moest worden verlengd, mede vanwege het belang van het contact met de halfzusjes en de grootouders. Het hof constateert echter dat zowel de opvoedsituatie bij de vader als bij de grootouders passend is en dat er geen ernstige contra-indicaties zijn tegen plaatsing bij de vader.
Het hof weegt mee dat de vader zijn drugsverslaving onder controle heeft, een stabiele gezinssituatie heeft en openstaat voor hulpverlening. Ook wordt de continuering van de huidige omgangsregeling met week-op-week-af verblijf bij vader en grootouders als in het belang van de minderjarige beschouwd.
Daarom vernietigt het hof de bestreden beschikking voor zover deze de verlenging van de machtiging bij de grootouders betreft en verleent het een nieuwe machtiging voor plaatsing bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 19 januari 2025. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.