Belanghebbende sloot in 1995 een kapitaalverzekering af bij OHRA, later onderdeel van Nationale-Nederlanden. In 2015 werd de waarde van deze verzekering gebruikt voor een lijfrentebeleggingsrecht. Belanghebbende startte een klachtprocedure wegens vermeende verkeerde productinformatie en schending van de zorgplicht door de verzekeraar, wat leidde tot een vaststellingsovereenkomst waarbij een bruto bedrag van €7.000 werd betaald, waarvan €5.500 werd gerenseigneerd als belastbare lijfrente-uitkering.
De inspecteur rekende dit bedrag bij het belastbare inkomen uit werk en woning, wat belanghebbende betwistte en bezwaar maakte. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat de uitbetaling een periodieke uitkering betreft die belast is volgens de Wet IB 2001. Het hof overwoog dat de tegemoetkoming direct verband houdt met de kapitaalverzekering en dient te worden aangemerkt als vervanging van gederfde periodieke uitkeringen.
Belanghebbende voerde aan dat het bedrag een schadevergoeding of proceskostenvergoeding was en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel en het Haviltex-criterium, maar het hof verwierp deze argumenten wegens onvoldoende bewijs en omdat de vaststellingsovereenkomst geen aanwijzing gaf voor een onbelaste vergoeding. De belastingrente werd eveneens bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.