Gebleken is dat de moeder inziet dat [minderjarige] op dit moment niet terug kan naar de moeder, omdat zij geen eigen woning heeft. De moeder verblijft in de daklozenopvang, en kan daar niet met [minderjarige] verblijven. Daar staat tegenover dat de moeder vanuit de opvang begeleiding krijgt bij het vinden van eigen woonruimte en dat de verwachting is dat de moeder binnen drie tot vijf maanden over een eigen woning kan beschikken. De GI heeft deze stelling van de moeder niet betwist.
Het hof betrekt verder bij de beoordeling dat de moeder inmiddels bijna een jaar, namelijk sinds november 2023, voor 28 uur per week in de kinderopvang werkt en een vast contract heeft. De moeder heeft aangegeven dat dit goed verloopt en dat haar taken zijn uitgebreid, waardoor de moeder ook kinderen met een achterstand begeleidt. Ook deze stelling is door de GI niet betwist. Daarnaast heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de vader op dit moment in detentie zit en dat de relatie met de vader verbroken is.
Voorts is van belang dat uit het verslag van 19 mei 2023 van de gezinsopname bij [instantie] blijkt dat de moeder leergierig en zorgzaam is. De moeder vraagt om advies en ziet dat ze nieuwe handvatten nodig heeft. Ook blijkt uit het verslag dat de moeder hele goede kwaliteiten in huis heeft om zowel in de basisbehoeften van [minderjarige] te voorzien en tegelijk de stevige leider te kunnen zijn die [minderjarige] nodig heeft. [instantie] geeft aan in het verslag
te willen benadrukkendat de moeder de benodigde opvoedvaardigheden heeft. Ook is gezien dat [minderjarige] baat heeft bij de tips/leerdoelen die de moeder zijn gegeven.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling hierover aangegeven dat de moeder in de basis over goede opvoedvaardigheden beschikt, maar dat zij het moeilijk vindt om dat over een langere periode vol te houden. De moeder heeft vervolgens verklaard dat zij de afgelopen periode geen hulpverlening heeft gekregen om haar hierin te ondersteunen, terwijl zij wel voor de benodigde hulpverlening openstaat en bovendien het overleg met de GI hierin mist.
De moeder betreurt het bovendien dat zij een zeer minimaal contact heeft met [minderjarige] ; namelijk één keer in de twee weken gedurende twee uur onder begeleiding van de gezinshuisouders, en in de andere week is er de mogelijkheid tot beeldbellen. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof aangegeven dat er op dit moment geen mogelijkheden worden gezien om de contacten uit te breiden omdat [minderjarige] na het contact negatief gedrag laat zien (zelfbepalend en druk gedrag). [minderjarige] heeft daarna tijd nodig om weer tot zichzelf te komen. De GI heeft voorts verklaard dat de speltherapie die [minderjarige] aanvankelijk zou gaan krijgen niet van start is gegaan, omdat dit volgens de gezinshuisouders teveel is voor [minderjarige] . Aldus is tot op heden niet onderzocht (en gebleken) wat de oorzaak is van het gedrag van [minderjarige] , of en hoe dit valt te relateren aan het contact met de moeder (of de vader) en wat er aan gedaan kan worden om dit te verbeteren. Het hof stelt voorts vast dat de verslagen die volgens de GI worden gemaakt door het gezinshuis over het verloop van de begeleide contactmomenten door de GI niet aan het hof zijn verstrekt, zodat het hof geen zicht heeft op hoe die contactmomenten verlopen. De GI heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven op dit moment geen verdere hulpverlening in te zetten tot de moeder over eigen woonruimte beschikt.
Al met al heeft het hof niet de indruk dat er op dit moment door de GI actief wordt ingezet op de mogelijkheid van terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, terwijl de GI de verplichting heeft om dit wel te doen. Het is van belang om niet af te wachten tot het moment dat de moeder eigen woonruimte heeft, maar ook nu de ondersteuning te bieden aan de moeder en [minderjarige] die nodig is. Daarbij hoort ook de uitbreiding van de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] . Het is van belang dat de komende periode toegewerkt wordt naar uitbreiding van die contacten (vaker en langer van duur), zodat het verloop daarvan kan worden onderzocht, kan worden gezien hoe de moeder aansluit bij [minderjarige] en wat er eventueel verder aan hulp nodig is om de situatie te verbeteren. Het valt daarbij te overwegen dat de moeder bij de uitbreiding van de contacten wordt ondersteund en begeleid door een neutrale professionele hulpverlenende instantie.