In deze zaak gaat het om de vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, waarbij het hof het hoger beroep van de man behandelt tegen een beschikking van de rechtbank Limburg. De man betwist de ingangsdatum van de alimentatie, de draagkracht van de vrouw en het percentage zorgkorting.
Het hof bevestigt de ingangsdatum van 26 mei 2023, zoals door de rechtbank bepaald, en stelt vast dat de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de man onbetwist zijn. De draagkracht van de vrouw wordt door het hof herberekend op basis van een redelijke uitbreiding van haar arbeidsuren van 20 naar 26 uur per week, rekening houdend met fiscale kortingen en co-ouderschap.
Met een netto besteedbaar inkomen van €2.216 per maand wordt haar draagkracht vastgesteld op €263 per maand. De totale draagkracht van partijen is voldoende om de behoefte van €464 per maand te dekken. De zorgkorting wordt vastgesteld op 35%, gebruikelijk bij co-ouderschap. Dit leidt tot een vaststelling dat de man €195 per maand moet betalen, te indexeren naar €207 per maand vanaf 1 januari 2024. Eventuele teveel betaalde bedragen moeten door de vrouw worden terugbetaald.