Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:3360

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 oktober 2024
Publicatiedatum
28 oktober 2024
Zaaknummer
20-000262-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 300 SrArt. 279 SvArt. 359 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling voormalige vriendin met gevangenisstraf van vier weken

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Oost-Brabant, waarin verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken wegens mishandeling. Het hof vernietigde het vonnis omdat de politierechter niet voldeed aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 Sv Pro.

De tenlastelegging betrof mishandeling op 10 oktober 2022 te Uden, waarbij verdachte zijn voormalige vriendin meerdere keren in het gezicht sloeg. Het hof achtte dit wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. Het bewijs bestond onder meer uit de verklaring van het slachtoffer en overige bewijsmiddelen die het verweer van de raadsvrouw weerlegden.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, het letsel van het slachtoffer en het justitiële verleden van verdachte, waaronder een eerdere onherroepelijke veroordeling voor een soortgelijk feit. Ondanks de pleidooien voor een lichtere straf, oordeelde het hof dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden was. De opgelegde straf bedraagt 4 weken, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens mishandeling voormalige vriendin.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000262-24
Uitspraak : 23 oktober 2024
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-319998-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Krimpen aan den IJssel.
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 10 oktober 2022 te Uden, gemeente Maashorst, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 oktober 2022 te Uden, gemeente Maashorst, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermaals in het gezicht te slaan.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien. De verklaring van aangeefster [slachtoffer] wordt ondersteund door de andere bewijsmiddelen . Het verweer van de raadsvrouw wordt integraal weerlegd door de bewijsmiddelen. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 10 oktober 2022 te Uden [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermaals in het gezicht te slaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat indien de onderhavige zaak was betrokken bij de strafzaak van de meervoudige strafkamer rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 31 mei 2024 de daar opgelegde straf gelet op het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) hoogstwaarschijnlijk niet veel hoger was geweest.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
mishandeling van zijn voormalige vriendin, het slachtoffer [slachtoffer] , door haar meermalen in het gezicht te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, haar pijn en letsel toegebracht. Uit de foto’s die zich in het dossier bevinden blijkt dat verdachte behoorlijk letsel heeft veroorzaakt in het gezicht van aangeefster. Het hof kan zich voorstellen dat het handelen van de verdachte voor het slachtoffer een angstaanjagende en emotionele gebeurtenis is geweest. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Tevens blijkt uit voormeld uittreksel de toepasselijkheid van artikel 63 Sr Pro.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsvrouw van de verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat een recente veroordeling de verdachte tot bezinning heeft gebracht. De raadsvrouw heeft verklaard dat het erop lijkt dat de verdachte een andere weg wil gaan bewandelen en open staat voor hulp.
Voor wat betreft de conclusie van de raadsvrouw dat de rechtbank bij die recente veroordeling niet tot een veel hogere straf zou zijn gekomen als de onderhavige zaak daarbij was gevoegd, gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr Pro en -zo begrijpt het hof- de gewijzigde levensvisie van de verdachte, kan het hof die niet delen. Immers, artikel 63 Sr Pro ziet op de maximaal op te leggen straf indien al die feiten gevoegd zouden zijn behandeld, maar dwingt het hof niet tot toepassing van een lagere straf dan zonder de toepasselijkheid van artikel 63 Sr Pro zou zijn opgelegd. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en de ernst van het thans bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd dan ook niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Een gewijzigde visie op het leven, noch vers verworven inzichten maakt dit niet anders.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 300 Sr, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. G. Schnitzler, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 23 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.