In deze zaak dienden drie raadsheren van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch verzoeken tot verschoning in in een strafzaak tegen een verdachte. De zaak was op 14 augustus 2024 inhoudelijk behandeld en de uitspraak stond gepland op 28 augustus 2024.
Raadsheer Koning verzocht zich te verschonen omdat hij in zijn vorige functie als officier van justitie betrokken was geweest bij dezelfde strafzaak, namelijk door het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding buiten heterdaad tegen de verdachte. Deze eerdere betrokkenheid was pas na de zitting en beraadslagingen ontdekt. De andere twee raadsheren, Schiffers en Buljevic, vroegen eveneens om verschoning, maar hun verzoeken waren minder gemotiveerd.
De verschoningskamer oordeelde dat de onpartijdigheid van een rechter wordt vermoed, tenzij er objectieve omstandigheden zijn die het tegendeel aannemelijk maken. De eerdere betrokkenheid van Koning bij de zaak vormt zo'n objectieve omstandigheid die de schijn van partijdigheid kan wekken. Daarom werd zijn verzoek toegewezen. De verzoeken van Schiffers en Buljevic werden afgewezen omdat zij geen eerdere betrokkenheid hadden en er geen aanwijzingen waren voor partijdigheid.
De beslissing werd op 27 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken en aan alle betrokken partijen medegedeeld.