De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de rechtbank die het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en moeder over hun minderjarige kind heeft toegewezen. De moeder voert aan dat de vader agressief is, geen contact onderhoudt met het kind en dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is vanwege de verstoorde relatie tussen de ouders.
De vader heeft zich teruggetrokken uit de procedure en wenst geen verweer te voeren. De gecertificeerde instelling (GI) en de raad voor de kinderbescherming hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de GI benadrukt dat het gezamenlijk gezag passend is en dat het kind onder toezicht staat en in een gezinshuis verblijft.
Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank onderschreven en stelt dat er geen onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag wordt daarom bekrachtigd, mede omdat het in het belang van het kind is dat beide ouders verantwoordelijk blijven en de GI mogelijkheden ziet voor begeleiding en contactherstel.
De beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 februari 2024 wordt bekrachtigd en het verzoek van de moeder wordt afgewezen.