Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Samen1,in haar hoedanigheid van bewindvoerster en mentor van
[persoon C] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft [persoon B] namens zichzelf een verzoek ingediend tot verbetering van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2024, op grond van artikel 31 Rv Pro. Het verzoek betrof vermeende evidente cijfermatige vergissingen in de berekening van het bedrag aan dubieuze overboekingen en de verrekening van kosten.
De verzoeker stelde dat het hof ten onrechte kosten in mindering had gebracht die reeds afzonderlijk waren betaald, waardoor het totaalbedrag onjuist zou zijn vastgesteld. [persoon A], de tegenpartij, heeft hiertegen verweer gevoerd en betoogd dat er geen sprake is van een kennelijke fout die eenvoudig te herstellen is.
Het hof heeft overwogen dat een verbetering op grond van artikel 31 Rv Pro alleen mogelijk is bij een duidelijke, voor partijen en derden direct herkenbare vergissing. Het betoog van [persoon B] betreft een inhoudelijk verschil van inzicht over de juistheid van het oordeel, hetgeen niet kwalificeert als een kennelijke fout.
Daarom heeft het hof het verzoek tot verbetering afgewezen en bevestigd dat het arrest van 27 augustus 2024 ongewijzigd blijft. Het arrest is gewezen door de rolraadsheren de Moor, Zweers-van Vollenhoven en van der Valk en op 5 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het gerechtshof wijst het verzoek tot verbetering van het arrest af wegens het ontbreken van een kennelijke fout.