Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[B.V. 2] B.V.,
[geïntimeerde 2],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/392337/ KG ZA 23-170)
2.Het geding in hoger beroep
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellante] ;
3.De beoordeling
in conventie[appellante] , na eiswijziging, onder meer gevorderd dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:
in reconventie[geïntimeerde 2] c.s. onder meer gevorderd dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:
- dat [appellante] een geldvordering inroept, namelijk haar beweerde vordering op [geïntimeerde 2] c.s. tot terugbetaling van de koopprijs voor de aandelen in [B.V. 4] en tot betaling van een aanvullende schadevergoeding (rov. 4.4);
- dat [geïntimeerde 2] c.s. summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering tot terugbetaling van de koopprijs voor de aandelen in [B.V. 4] hebben aangetoond voor zover [appellante] die grondt op haar bevoegdheid om de Koopovereenkomst wegens een tekortkoming te ontbinden of wegens dwaling te vernietigen (rov. 4.4 en 4.5);
- dat [geïntimeerde 2] c.s. summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering tot terugbetaling van de koopprijs voor de aandelen in [B.V. 4] hebben aangetoond voor zover [appellante] die grondt op haar bevoegdheid om de Koopovereenkomst wegens bedrog te vernietigen (rov. 4.6 tot en met 4.9);
- dat summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering op [geïntimeerde 2] is gebleken voor zover [appellante] die grondt op bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] (rov. 4.10);
- dat de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] c.s. voor eventuele schade wegens een tekortkoming contractueel is beperkt tot € 750.000,-- en daarvoor voldoende zekerheid bestaat (rov. 4.11);
- dat afweging van wederzijdse belangen leidt tot opheffing van (alleen) de derdenbeslagen op de (bank)tegoeden (rov. 4.12, in zoverre toewijzing van voornoemde vordering A);
- dat onvoldoende grond bestaat voor een verbod om nieuwe beslagen te leggen (rov. 4.13, afwijzing vordering B);
- dat [appellante] als grotendeels in het ongelijk gestelde procespartij in de op
- € 1.882,44 begrote proceskosten zal worden veroordeeld (rov. 4.14, in zoverre toewijzing van vordering C).
- de vorderingen in principaal hoger beroep van [appellante] zal afwijzen;
- [appellante] zal veroordelen in de proceskosten.
- het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 2] c.s. zal verwerpen;
- [geïntimeerde 2] c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten.
- dagvaardingskosten € 109,92
- griffierecht € 783,--
- salaris gemachtigde € 3.642,-- (3 punten x tarief II)
- nakosten