Uitspraak
,
Raad voor de Kinderbescherming,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft een hoger beroep over het gezag en de omgangsregeling van een minderjarige geboren in 2019. De moeder woont in het buitenland en kan vanwege financiële en persoonlijke omstandigheden slechts één week per jaar fysiek contact hebben met het kind. De vader verzorgt de dagelijkse zorg en wil het gezag over de minderjarige eenhoofdig krijgen.
Tijdens de procedure is vastgesteld dat de moeder en het kind recent contactherstel hebben gehad en dat de moeder via beeldbelcontacten twee keer per week contact onderhoudt. De moeder is goed bereikbaar en wil betrokken blijven bij het leven van het kind, hoewel zij niet in staat is om actief mee te beslissen over dagelijkse zaken vanwege afstand en taalbarrières. De vader erkent de omgangsregeling maar betwist de mate van betrokkenheid van de moeder.
De raad voor de kinderbescherming adviseert een vaste en frequente informatieregeling om de moeder meer betrokkenheid te geven. Het hof oordeelt dat niet is voldaan aan het wettelijk criterium voor beëindiging van het gezag van de moeder. Gezien haar kwetsbare situatie en het belang van het kind wordt het gezamenlijk gezag gehandhaafd. Het hof wijst het verzoek van de vader af en stelt een minimale omgangsregeling vast, met ruimte voor partijen om aanvullende afspraken te maken.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af om het gezag van de moeder te beëindigen en stelt een minimale omgangsregeling vast.