In deze zaak staat de vaststelling en wijziging van kinderalimentatie centraal voor drie minderjarige kinderen. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die de alimentatie met ingang van 1 januari 2023 had vastgesteld. Het geschil betreft onder meer de juiste ingangsdatum van de alimentatie, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen, waarbij de man sinds december 2023 arbeidsongeschikt is geraakt.
Het hof oordeelt dat de ingangsdatum van de alimentatie moet worden vastgesteld op de datum van indiening van het verzoekschrift, 17 april 2023, omdat de man vanaf dat moment rekening kon houden met zijn onderhoudsverplichting. De behoefte van de kinderen wordt vastgesteld op €233 per maand per kind in 2023, oplopend naar €264 per maand per kind in 2025. De draagkracht van de man wordt aangepast vanwege zijn arbeidsongeschiktheid, waarbij het hof uitgaat van een netto besteedbaar inkomen dat daalt tot €539 per maand in 2025.
De vrouw heeft een draagkracht van €96 per maand. Door middel van een draagkrachtvergelijking wordt de bijdrage van de man vastgesteld op €197 per kind per maand voor 2023, €212 voor 2024 en €180 voor 2025. Er wordt rekening gehouden met een zorgkorting van 5% vanwege beperkte omgang. De man is niet onderhoudsplichtig voor een vierde kind buiten het huwelijk. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en vervangen door deze nieuwe vaststelling.