Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het verzoek en het aanvullende verzoek van [verweerster] af te wijzen;
- [appellante] het levenslange vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW Pro toe te kennen op de tot de nalatenschap van erflater behorende onverdeelde helft van de woning te [plaats] aan [adres] en op de inboedel van die woning en
- [verweerster] te veroordelen tot medewerking aan de notariële vestiging van voornoemd vruchtgebruik ten overstaan van een door [appellante] aan te wijzen notaris, binnen 30 dagen na betekening van de beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [verweerster] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling door de kantonrechter van 13 november 2023;
- het procesdossier in eerste aanleg (producties nr. 1 t/m 6), ingediend door mr. Van Riet bij V6-formulier en ingekomen ter griffie van dit hof op 31 mei 2024;
- de brief van 13 september 2024 van mr. Van Riet met daarbij de nadere producties (nr. 6 t/m 8), ingekomen ter griffie van dit hof op 13 september 2024;
- de door mr. Kok-Verheijde ingediende nadere producties (nr. 3-4), ingekomen ter griffie van dit hof op 19 september 2024 en
- de op de mondelinge behandeling in hoger beroep namens [appellante] en [verweerster] overgelegde en voorgelezen pleitaantekeningen.
- [appellante] , bijgestaan door mr. Van Riet en
- [verweerster] , bijgestaan door mr. Kok-Verheijde.
3.De beoordeling
echtelijke woningte kunnen blijven wonen en om in de echtelijke woning bevindende inboedel te blijven gebruiken. Volgens [appellante] gaat het niet over de behoefte in algemene zin om een dak boven het hoofd te hebben. Daarom is in de toelichting op artikel 4:29 BW Pro te lezen dat in het algemeen kan worden aangenomen dat een langstlevende behoefte heeft aan een vruchtgebruik op de woning en dat dit de reden is waarom die behoefte wordt verondersteld. Bij artikel 4:30 BW Pro gaat het om de
nietveronderstelde behoefte aan een vruchtgebruik op andere goederen, oftewel om de behoefte aan inkomen. Wat de rechtbank volgens [appellante] verkeerd heeft gedaan, is de maatstaf van artikel 4:30 BW Pro onverkort toepassen op de onderhavige situatie. Daarmee wordt volgens [appellante] de veronderstelde behoefte ex artikel 4:29 BW Pro om in de echtelijke woning te kunnen blijven wonen, namelijk onjuist teruggebracht tot de vraag of de langstlevende
geld heeft om willekeurig elders woonruimte te betalen. De vraag moet zijn of [appellante] behoefte heeft om na het overlijden van haar echtgenoot in deze
echtelijke woningte kunnen blijven wonen, aldus [appellante] .