Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 14 maart 2024;
- het procesdossier in eerste aanleg, ingezonden zijdens [appellant] en ingekomen ter griffie van dit hof op 9 juli 2024;
- de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties (nr. 19 t/m 22) zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 26 september 2024;
- de bij V6-formulier door [verweerder] ingediende brief van de rechtbank Limburg van 20 september 2024, ingekomen ter griffie van dit hof op 30 september 2024;
- de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties (nr. 23 t/m 24) zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 30 september 2024 en
- de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Brouwers overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen.
- [appellant] , bijgestaan door mr. Brouwers en
- [verweerder] , bijgestaan door mr. Robijns.
3.De beoordeling
Terugbetaling van door [verweerder] ten onrechte ontvangen huurbetalingen?
ongeveerin de boedel bevindt (banktegoed € 136.439,33) en op 19 maart 2024 een (voorlopige) boedelbeschrijving opgemaakt en naar [appellant] gestuurd. Dat [verweerder] , zoals door hem is aangevoerd, eerst moest weten of [appellant] de nalatenschap beneficiair zou aanvaarden of niet voordat hij verdere stappen kon ondernemen, is geen reden om te wachten met het opstellen van een boedelbeschrijving, zoals de kantonrechter ook al heeft overwogen. Er had een verklaring van executele kunnen worden opgesteld waarmee [verweerder] bijvoorbeeld inzicht had kunnen krijgen in de bankzaken bij de Rabobank zodat hij [appellant] daarover eerder had kunnen informeren.
Het hof acht het in het licht van het voorgaande ongewenst dat beide broers gezamenlijk de vereffening ter hand zullen gaan nemen.