De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een bewind was ingesteld over het gehele vermogen van de meerderjarige rechthebbende. De rechthebbende betwistte de onderbewindstelling, stellende dat hij geen lichamelijke of geestelijke beperkingen heeft en geen risico op misbruik of problematische schulden bestaat.
De GI stelde dat het bewind noodzakelijk is vanwege het grote geldbedrag dat de rechthebbende heeft geërfd en de eerdere problematische uitgaven aan drugs en dure spullen. Na de meerderjarigheid werden aanzienlijke bedragen in korte tijd uitgegeven, wat de GI bevestigde als verkwisting.
Het hof oordeelde dat er geen sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand die een bewind rechtvaardigt, maar dat de uitgaven in de week na de meerderjarigheid een duidelijke verkwisting vormen. Daarom werd een beperkt bewind ingesteld over de goederen uit de nalatenschap van de moeder van de rechthebbende voor de duur van drie jaar. Het hof benadrukte dat de rechthebbende over andere goederen vrij kan beschikken en dat zinvolle uitgaven in overleg met de bewindvoerder mogelijk blijven.
Ten slotte gaf het hof aan dat een andere bewindvoerder met meer affiniteit voor de leeftijdsgroep van de rechthebbende wellicht wenselijk is vanwege de moeizame start van het bewind. De beschikking werd deels vernietigd en deels bekrachtigd, en de griffier van de rechtbank werd verzocht de uitspraak te registreren in het Centraal curatele- en bewindregister.