ECLI:NL:GHSHE:2024:3673

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
200.342.180_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:144 lid 3 BWArt. 4:149 lid 2 BWArt. 4:159 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling beloning executeur en vertrouwensvraag in nalatenschap

In deze civiele zaak staat de vaststelling van de beloning van de Stichting als executeur van een nalatenschap centraal. De Stichting is door indeplaatsstelling executeur geworden en verzocht om loon op grond van artikel 4:144 lid 3 BW Pro jo artikel 4:159 lid 3 BW Pro. Het hof verklaarde de Stichting ontvankelijk, maar merkte op dat de erfgenamen niet als belanghebbenden waren betrokken.

Naar aanleiding daarvan heeft het hof de Stichting opgedragen de erfgenamen alsnog in het geding te roepen. De erfgenamen reageerden schriftelijk, waarbij zij stelden dat zij pas laat op de hoogte waren gesteld van de procedure en van de indeplaatsstelling. Zij wijzen erop dat het testament, opgesteld door de Stichting zelf als notariaat, bepaalt dat er geen loon wordt toegekend aan de executeur. Zij vinden het onredelijk dat de Stichting toch loon verlangt en achten de werkwijze van de Stichting onbetrouwbaar.

Het hof heeft daarom ambtshalve onderzocht of er gewichtige redenen zijn om de executeur te ontslaan op grond van artikel 4:149 lid 2 BW Pro. De Stichting wordt nu in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bezwaren van de erfgenamen en de vertrouwensvraag. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat de Stichting haar reactie heeft gegeven.

Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en stelt de Stichting in de gelegenheid om te reageren op de bezwaren van de erfgenamen en de vertrouwensvraag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 21 november 2024
Zaaknummer : 200.342.180/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11017407 \ EZ VERZ 24-105
in de zaak in hoger beroep van:
Stichting [de Stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de Stichting,
advocaat: mr. L.J.J. van Wijk te Elsloo.
als vervolg op de door het hof gewezen tussenbeschikking van 3 oktober 2024 in het hoger beroep van de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 april 2024.
Als belanghebbenden merkt het hof aan:
1. [belanghebbende 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [belanghebbende 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
erfgenamen in de nalatenschap van [erflaatster] ,
hierna tezamen te noemen: de erfgenamen.

5.De beschikking van 3 oktober 2024

In die beschikking heeft het hof eerst geoordeeld dat de Stichting door indeplaatsstelling executeur is geworden in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: erflaatster) en heeft de Stichting ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een beloning op grond van artikel 4:144 lid 3 BW Pro in samenhang met artikel 4:159 lid 3 BW Pro.
Vervolgens heeft het hof geconstateerd dat de erfgenamen niet als belanghebbenden in de procedure zijn betrokken. Het hof achtte dit toch noodzakelijk omdat het in deze zaak gaat om aanpassing van het testament van erflaatster. Het hof heeft de Stichting opgedragen om alsnog de erfgenamen in het geding op te roepen waarna de erfgenamen in de gelegenheid zijn gesteld om hun reactie op het verzoek van de Stichting tot toekenning van loon schriftelijk kenbaar maken, dan wel om een tweede mondelinge behandeling te verzoeken.

6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.
Het hof heeft na de tussenbeschikking van 3 oktober 2024 kennis genomen van de schriftelijke reactie van de erfgenamen, bij het hof binnengekomen op 29 oktober 2024.
6.2.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

7.De verdere beoordeling

7.1.
De erfgenamen hebben naar aanleiding van de tussenbeschikking een uitgebreide reactie geschreven – kort samengevat – inhoudende als volgt.
De erfgenamen zijn door de Stichting vooraf niet op de hoogte gesteld van deze procedure. Pas na de door het hof opgedragen oproeping in hoger beroep zijn zij op de hoogte geraakt van het verzoek van de Stichting om in afwijking van het testament van erflaatster loon toe te kennen. De erfgenamen zijn pas op 27 maart 2024 formeel op de hoogte gesteld dat de Stichting in de plaats is getreden van [executeur] , terwijl op 2 januari 2024 de Stichting al executeur is geworden. De erfgenamen zijn van mening dat de Stichting de rol van executeur heeft aanvaard van een nalatenschap die in overeenstemming is met het door haarzelf als notariaat opgestelde testament. In dit testament is opgenomen dat er geen loon wordt toegekend voor de werkzaamheden van de executeur. De Stichting heeft de gelegenheid gehad om contact op te nemen met de erfgenamen en had een voorstel kunnen doen met betrekking tot de beloning, maar dit heeft zij niet gedaan.
De erfgenamen komen tot de conclusie dat het testament ongewijzigd moet blijven en dat de Stichting dus niet betaald krijgt voor haar werkzaamheden. Zij vinden het niet redelijk dat de Stichting in de openingsbrief heeft opgenomen dat de gemaakte uren maandelijks in mindering wordt gebracht op het saldo van de nalatenschap, terwijl zij de voorwaarden in het testament zelf hebben opgesteld.
De erfgenamen verzoeken het hof om de Stichting aan te moedigen de nalatenschap met spoed af te handelen.
7.2.
Daarnaast achten de erfgenamen de werkwijze van de Stichting onbetrouwbaar, menen zij dat deze werkwijze niet past bij wat er van het notariaat verwacht mag worden en beraden zij zich op de vraag of zij een klacht gaan indienen bij de tuchtrechter.
Dit komt doordat de erfgenamen pas laat door de Stichting op de hoogte zijn gesteld dat zij in plaats van [executeur] executeur was in de nalatenschap van erflaatster, terwijl [executeur] aan de erfgenamen niet had gemeld dat hij de Stichting in de plaats had gesteld. De erfgenamen hebben aan de Stichting gevraagd wat de mogelijke kosten waren, maar zij bleef het antwoord hierop steeds schuldig. De Stichting heeft in alle contactmomenten ook niets gezegd over deze gerechtelijke procedure die zij daags na het overlijden van erflaatster al is begonnen.
In tegenstelling tot wat de Stichting heeft aangegeven zijn de erfgenamen wel goed bereikbaar en zij vinden het dan ook vreemd dat de Stichting hun geen vragen heeft gesteld, niet meteen heeft laten weten dat zij de rol van executeur heeft overgenomen, geen antwoord gaf over vragen met betrekking tot kosten en achter de rug van de erfgenamen om deze procedure is gestart. Door deze werkwijze hebben de erfgenamen het gevoel dat zij met een onbetrouwbare partij te maken hebben.
Verder overwegen zij een advocaat in te schakelen om de Stichting te dwingen tot overdracht van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster aan een notaris die de erfgenamen kiezen en vertrouwen.
7.3.
Het voorgaande is voor het hof reden om ambtshalve te onderzoeken of sprake is van dusdanige gewichtige redenen ten gevolge waarvan het hof de executeur zou kunnen ontslaan (artikel 4:149 lid 2 BW Pro).
7.4.
Gezien het voorgaande zal de Stichting in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de reactie van de erfgenamen aangaande het loon en de door het hof ambtshalve onderkende vertrouwensvraag (artikel 4:149 lid 2 BW Pro).
Het hof zal gelijktijdig met deze beschikking de reactie van de erfgenamen aan de Stichting toesturen. Een afschrift van deze beschikking zal tevens aan de erfgenamen worden toegezonden, puur ter informatie.
7.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8.De beslissing

Het hof:
stelt de Stichting in de gelegenheid om uiterlijk 19 december 2024 aan het hof en de erfgenamen haar reactie te geven zoals hiervoor vermeld in overweging 7.4.;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.B. Smits en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024.