Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een kind is geboren. De man kreeg toestemming om het kind te erkennen en er is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij de man en het kind op vaste tijden contact hebben. De vrouw kreeg een dwangsom opgelegd bij niet-naleving van deze regeling.
De vrouw vorderde in eerste aanleg de opheffing van een loonbeslag dat de man had laten leggen wegens vermeende niet-nakoming van de omgangsregeling. De rechtbank wees deze vordering af en wijzigde de omgangsregeling deels in het voordeel van de man. De vrouw ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bleek dat het loonbeslag inmiddels was opgeheven en dat de vrouw geen spoedeisend belang meer had bij haar vordering. Het hof verwerpt daarom het hoger beroep en veroordeelt de vrouw in de proceskosten van de man, omdat de procedure nodeloos was gevoerd.