ECLI:NL:GHSHE:2024:3890

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
20-001796-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 SvArt. 6:1:22 SvArt. 70 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen hennepteelt

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg inzake de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 januari 2021 tot en met 6 maart 2021.

De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €86.606,05 en een betalingsverplichting opgelegd, maar het hof vernietigde dit vonnis omdat het zich hier niet in kon vinden. Het hof volgde de verklaring van betrokkene dat hij in december 2020 het huurcontract tekende, hielp bij het opzetten van de hennepkwekerij en in opdracht plantjes verzorgde, waarvoor hij gratis in de woning mocht verblijven. Dit voordeel werd geschat op €3.000,00, gebaseerd op drie maanden huur à €1.000,00 per maand.

Het hof legde de betalingsverplichting op dit bedrag vast en wees het draagkrachtverweer af, omdat niet aannemelijk was dat betrokkene niet aan deze verplichting kan voldoen. Tevens bepaalde het hof de maximale gijzeling op 60 dagen, conform de wettelijke regeling dat voor elke volle €50,00 één dag gijzeling kan worden gevorderd, met een maximum van drie jaar.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de relevante bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Het arrest werd op 8 mei 2024 uitgesproken door het hof in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €3.000,00 en legt een betalingsverplichting met gijzeling van 60 dagen op.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001796-23 OWV
Uitspraak : 8 mei 2024
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 juni 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-038177-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 86.606,05 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd is bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene geen voordeel heeft genoten.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 8 mei 2024 onder parketnummer 20-001797-23 feit 2, veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 januari 2021 tot en met 6 maart 2021.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten alsmede andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan te weten hennepteelt in de periode voorafgaande aan 1 januari 2021 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Schatting van het voordeel
In de onderliggende strafzaak heeft dit hof ten aanzien van parketnummer 20-001797-23 feit 2, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, de verklaring van betrokkene aannemelijk geoordeeld dat hij in december 2020 het huurcontract voor de woning heeft getekend, dat hij heeft meegeholpen de hennepkwekerij op te zetten en dat hij in opdracht van anderen de plantjes water heeft gegeven en de boel in de gaten heeft gehouden. In ruil daarvoor mocht verdachte om niet in de woning verblijven waarbij de maandelijkse huur door een ander werd betaald.
Nu de ontnemingsrechter gebonden is aan dit oordeel van de strafrechter, zal het hof deze verklaring eveneens in de ontnemingszaak volgen.
Uit die verklaring volgt dat betrokkene in ieder geval gedurende de maanden december 2020 tot en met februari 2021 om niet in de woning heeft verbleven omdat de huur gedurende die maanden door een ander werd betaald. Het hof beschouwt dit als voordeel – immers besparing van woonkosten – en schat deze maandelijkse huur op een bedrag van
€ 1.000,- per maand. Derhalve op een totaalbedrag van € 3.000,- en stelt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op dat bedrag vast.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Voor zover de verdediging heeft beoogd een draagkrachtverweer te voeren met het betoog dat wanneer aan betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd hij de toegang tot de WSNP kan vergeten wordt dit door het hof verworpen.
Het hof ziet geen aanleiding om de verdediging in haar standpunt te volgen, omdat op grond van hetgeen over de persoonlijke financiële omstandigheden van de betrokkene is aangevoerd, voorshands niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene thans, of op enig later moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 6:1:22 van Pro het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.
Voorts biedt artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de betrokkene een rechtsgang waarin hij vermindering of kwijtschelding van de door het hof op te leggen betalingsverplichting kan verzoeken. Het hof zal met de draagkracht van de betrokkene in het kader van de onderhavige vaststelling van de betalingsverplichting dan ook geen rekening houden.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 60 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 3.000,00 (drieduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 60 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. CH.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. CH.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest te ondertekenen.