Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 19 maart 2024;
- de akte van [appellant] met bijlage;
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
6.De verdere beoordeling
n’ (dus in meervoud), terwijl [geïntimeerde] enig aandeelhouder is. Gelet op de feitelijke gedragingen van partijen ligt het voor de hand dat [geïntimeerde] hiermee ook (en misschien zelfs vooral) het oog heeft gehad op [appellant] , zoals blijkt uit de hiervoor al genoemde whatsapp conversatie tussen partijen van 7 februari 2019 en 12 februari 2019. Niet valt in te zien waarom [geïntimeerde] al die informatie met [appellant] heeft gedeeld als hij van plan was om de betaling aan [appellant] te frustreren door [bedrijf B] op te heffen, het geld over te hevelen naar [bedrijf C] en in de jaarrekening de schuld te vermelden als een schuld aan de aandeelhouders. In lijn daarmee heeft [geïntimeerde] zelf aangevoerd dat [appellant] de beoogde aandeelhouder was en hij heeft in rechte erkend dat de bedragen die na liquidatie van [bedrijf C] resteren toekomen aan [appellant] . Het hof herhaalt dat onvoldoende is komen vast te staan dat [geïntimeerde] [bedrijf C] op deze manier in een positie heeft gebracht dat zij [appellant] niet meer
kanbetalen.
“Gesellschaftsvermögen verteilt wird”in strijd met de wet (§ 93 para. 5 AktG), en nog niet vast staat dat [bedrijf C] geen verhaal biedt.
7.De uitspraak
naar de rol van 21 januari 2025voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde] uitsluitend met het in 6.11.5 genoemde doel, waarna [appellant] de gelegenheid zal krijgen een antwoordakte te nemen, uitsluitend met het doel om op die akte te reageren;