In deze zaak gaat het om het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €221.048,48 aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit gewoontewitwassen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het zich niet kon verenigen met de vaststelling van het voordeel en heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangepast naar €228.025,00. De kasopstelling is als uitgangspunt genomen met enkele aanpassingen, waaronder het niet meenemen van een bedrag van €70.000,- dat niet aannemelijk is verstrekt.
De verdediging stelde dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen vanwege de in de onderliggende strafzaak bepleite vrijspraak, maar dit verweer is verworpen omdat het hof het veroordelend vonnis heeft bevestigd.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep is overschreden, maar het hof verbindt hieraan geen nadelige consequenties. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd is vastgesteld op 1080 dagen, berekend op basis van de betalingsverplichting.
Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch en op 12 december 2024 uitgesproken.