De verdachte huurde vanaf 1 maart 2019 een bedrijfspand waarin op 17 mei 2019 na een brand een hennepkwekerij werd aangetroffen. De kwekerij was minimaal acht weken in opbouw, wat overeenkomt met de periode dat de verdachte toegang en beschikkingsmacht over het pand had. De verdachte droeg het pand medio mei 2019 over, maar was de enige met toegang gedurende de opbouwperiode.
De verdediging voerde aan dat de kwekerij door een ander was opgezet en dat de verdachte geen wetenschap of beschikkingsmacht had. Het hof acht dit niet aannemelijk gelet op verklaringen, het tijdsverloop en het ontbreken van bewijs voor alternatieve scenario's. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat hij medepleegde aan het telen van een grote hoeveelheid hennep.
Het hof vernietigde de opgelegde straf van vier maanden gevangenisstraf van de politierechter vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Gelet op de ernst van het feit, het justitiële verleden en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legde het hof een gevangenisstraf van vijf maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De rest van het vonnis werd bevestigd.