In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd inzake de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, veroordeeld voor witwassen in de periode 2015-2018.
De rechtbank had het voordeel vastgesteld op €66.249,- en een betalingsverplichting en gijzeling van 1080 dagen opgelegd. Het hof volgt de berekeningswijze van de rechtbank grotendeels, maar baseert het voordeel op artikel 36e lid 3 Sr in plaats van lid 2, waardoor het voordeel breder wordt vastgesteld zonder koppeling aan een concreet bewezen feit.
De verdediging betwistte de inkoop van verdovende middelen als onderdeel van het voordeel, maar het hof verwierp dit omdat de kasopstelling uitgaven voor deze middelen omvatte en dit relevant is voor de berekening.
Het hof bevestigt de betalingsverplichting van €66.249,- aan de Staat en bepaalt de maximale gijzeling op 1080 dagen, conform de wettelijke norm van één dag gijzeling per €50,- voordeel, met een maximum van drie jaar.
Hoewel de redelijke termijn in eerste aanleg werd overschreden, ziet het hof hiervan in deze ontnemingszaak af vanwege compensatie door strafmatiging in de hoofdzaak.