Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:4068

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
21/1566 en 21/1567
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak toekenning immateriële schadevergoeding en proceskosten hoger beroep belastingrecht

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 30 oktober 2024 uitspraak gedaan in hoger beroep van belanghebbende tegen de inspecteur van de belastingdienst. Na een brief van belanghebbende is geconstateerd dat het hof per abuis niet heeft beslist op het verzoek om vergoeding van immateriële schade.

Het hof heeft partijen geïnformeerd over de voorgenomen hersteluitspraak en na instemming van beide partijen is deze op 18 december 2024 uitgesproken. In de hersteluitspraak is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep met één jaar is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000.

Daarnaast is een proceskostenvergoeding van €218,75 toegekend voor de hogerberoepsfase. De vergoeding van het griffierecht wordt niet toegekend bij een ongegrond hoger beroep met toekenning van immateriële schade. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen.

Tegen deze hersteluitspraak staat geen beroep in cassatie of ander rechtsmiddel open, conform eerdere uitspraken van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.000 immateriële schade en €218,75 proceskosten aan belanghebbende wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

HERSTELUITSPRAAK

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 21/1566 en 21/1567
Uitspraak gewezen ter verbetering van de schriftelijke uitspraak van 30 oktober 2024 van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 november 2021, nummers BRE 20/4769 en 20/4770, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.De uitspraak in dit geding

1. Het hof heeft in bovenvermelde zaak op 30 oktober 2024 uitspraak gedaan.
Het hof heeft, naar aanleiding van een brief van belanghebbende van 8 november 2024, geconstateerd dat in de uitspraak per ongeluk niet is ingegaan op het ter zitting van het hof gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade door belanghebbende.
2. Het hof heeft telefonisch contact gehad met belanghebbende, waarbij belanghebbende ook heeft gevraagd om proceskostenvergoeding bij toekenning van het verzoek.
3. Het hof heeft bij brief van 26 november 2024 aan beide partijen laten weten van plan te zijn een hersteluitspraak te doen. Daarbij is aan partijen de tekst zoals die komt te luiden na de hersteluitspraak meegedeeld.
4. De inspecteur is bij brief van 3 december 2024 akkoord gegaan met het doen van de hersteluitspraak. Belanghebbende heeft bij brief van 4 december 2024 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de hersteluitspraak en heeft daarbij de verwachting uitgesproken dat wegens de toekenning van het verzoek ook het griffierecht wordt vergoed.
5. Herstel van de uitspraak brengt mee dat na r.o. 4.3 de volgende passage wordt toegevoegd:
‘Naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van immateriële schade door belanghebbende stelt het hof vast dat de redelijke termijn voor het afdoen van het hoger beroep met 1 jaar is overschreden en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van immateriële schade van 2 x € 500 = € 1.000. Wegens de samenhang van beide zaken wordt deze vergoeding éénmaal toegekend. De vergoeding komt voor rekening van de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid).’
6. De tekst van r.o. 4.6 wordt vervangen door:
‘Het hof ziet aanleiding voor een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de hogerberoepsfase. De proceskostenvergoeding bedraagt 1 punt x € 875 x 0,25 (gewicht van de zaak) = € 218,75. De proceskostenvergoeding komt voor rekening van de Staat.’
7. De tekst van r.o. 4.5 blijft in stand. Bij een ongegrond hoger beroep met toekenning van vergoeding van immateriële schade kent het hof geen vergoeding van griffierecht toe. [1]
8. Aan r.o. 5 (beslissing) wordt toegevoegd:
‘- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000;
- veroordeelt de Staat in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep, vastgesteld op € 218,75.’

2.De beslissing

Het hof verbetert de op 30 oktober 2024 in deze zaken gedane uitspraak op de hiervoor weergegeven wijze.
Deze hersteluitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Wessels en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier.
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst T.A. Gladpootjes
Wegens verhindering van de voorzitter is deze uitspraak enkel door de griffier ondertekend.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze hersteluitspraak staat geen beroep in cassatie of een ander rechtsmiddel open. [2]

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
2.Zie Hoge Raad 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1449.